Haast om oud te worden; Theodor Fontane als briefschrijver

Theodor Fontane: Brieven, Prive-domein nr. 172, vertaald door Tinke Davids, gekozen en van een nawoord en noten voorzien door Hans Ester. Uitg. De Arbeiderspers, 428 pagina's. Prijs (f) 59,90

In 1819 werd Theodor Fontane geboren. In 1820 werd Eduard Douwes Dekker geboren. In 1821 werd Gustave Flaubert geboren. Kortom, in drie opeenvolgende jaren werden de drie grootste briefschrijvers uit de wereldliteratuur geboren. Natuurlijk, er zijn andere fantastische briefschrijvers: Vincent van Gogh bij voorbeeld, Flannery O'Connor, Eduard Du Perron, Jeroen Brouwers, maar dat drietal uit de jaren 1819 tot 1821 is alleen al uitzonderlijk door de omvang van hun correspondentie. Er bestaat een tweedelige uitgave van de Oeuvres van Flaubert uit 1964 zonder correspondentie, maar de Oeuvres completes die vanaf 1909 verschenen zijn - in dit geval met de correspondentie - bestaat uit 26 delen. Multatuli's Volledig werk is handzaam in zeven delen uitgegeven, maar daarnaast zijn tot nu toe ook veertien delen brieven en documenten verschenen. Fontane heeft in de loop van zijn lange leven - hij overleed in 1898 - ongeveer twaalfduizend brieven geschreven. Dat betekent dat hij, als we de eerste tien jaar van zijn leven (een periode waarin men doorgaans weinig brieven schrijft) niet meetellen, om de dag een brief schreef. Helaas zijn nog lang niet al die brieven gepubliceerd.

Fontane was een geboren briefschrijver, met dien verstande dat hij pas echt tot zijn volle wasdom als correspondent kwam toen hij oud werd.

Thomas Mann schreef: “Een nieuw deel met brieven van Fontane is verschenen - iets buitengewoon verrukkeljks. Zijn er nog meer? Men moet ze uitgeven. En vooral, vind ik, die uitingen die uit latere jaren stammen, brieven van de oude Fontane, want die van de jonge zijn in vergelijking daarmee oninteressant. Lijkt het niet alsof hij oud, heel oud worden moest, om helemaal zichzelf te worden. Zoals er geboren jongelingen zijn, die zich vroeg ontplooien en niet rijpen, laat staan dat zij oud worden zonder zichzelf te overleven, zo zijn er klaarblijkelijk ook naturen, voor wie de ouderdom het enig passende is, klassieke grijsaards, geroepen om de ideale trekken van deze levensfase zoals mildheid, goedheid, gerechtigheid, humor en lepe wijsheid, kortom, die op een hoger plan gebrachte terugkeer van kinderlijke ongebondenheid en onschuld, de mensheid op de meest volkomen manier te laten zien. Daar hoorde hij bij, en het lijkt erop dat hij dat wist en haast had om oud te worden, zodat hij heel lang oud kon zijn.”

Toch formuleert Fontane het andersom. In een brief uit 1847 - hij was toen pas 28 - zegt hij: “Ik ben met de jaren jonger geworden, en de levenslustigheid, die eigenlijk een erfdeel van de jeugd is, schijnt in mij te groeien, naarmate de afgewikkelde draad langer wordt.” Hoe verbluffend juist die profetie van de achtentwintigjarige was, kunnen wij nu beoordelen. Pas toen hij 59 was (Multatuli had kort daarvoor zijn laatste boek gepubliceerd) debuteerde hij als romanschrijver, en in 1895 (Multatuli was toen al acht en Flaubert al vijftien jaar dood) publiceerde hij zijn meesterwerk: Effi Briest.

HUMOR

Als briefschrijver is Fontane zijn hele leven uiterst actief geweest, maar - Thomas Mann heeft gelijk - naarmate hij ouder wordt, worden de brieven boeiender. Toch is het voor mij de vraag of dat komt door die mildheid, goedheid en gerechtigheid waarvan Thomas Mann gewaagt. Zo mild is hij eigenlijk niet. Nog in 1895 schrijft hij aan zijn dochter: “De uitspraak over Nietzsche over de 'Umwertung' van de dingen, die absoluut moet plaatsvinden, is overal van toepassing.” En humor en lepe wijsheid? Zo geestig en scherp als Multatuli is Fontane maar zelden. Zelf zegt hij terecht over humor: “Een volledige, volle humor kan echter zelden samengaan met kritiek en houdt daartegenover ook geen stand. Er is op zijn minst voorbijgaande kritiekloosheid voor nodig, enerzijds om humoristisch te zijn, en aan de andere kant om van andermans humor te genieten.” Zijn wijsheid is te vinden in formuleringen als deze: “Het leven is, godzijdank, geen centrum voor grote gevoelens, maar een alledaagse woonkamer, waarin het zogenaamde geluk afhankelijk is van de vraag of je het koud hebt of warm zit, of de kachel rookt of goed trekt. Liefde is mooi, maar ze laat zich in minuten berekenen, al het andere duurt lange uren.” Dat is prachtig, maar ook weer geen superieure wijsheid.

Het is moeilijk te begrijpen waarin de bekoring schuilt van de brieven van Fontane. Komt het door die volmaakte, soepele, vloeiende stijl dat je van deze brieven geniet, zoals je geniet van groene asperges? Komt het doordat Fontane vrij is van bitsheid en sarcasme? Maar bitsheid en sarcasme zijn juist volop aanwezig bij Multatuli, en van diens brieven kun je ook nooit genoeg krijgen. Fontane zegt zelf: “Mijn schrijftrant is vooral van overdrijving in de richting van het lelijke. Ik ben geen pessimist, ik loop het treurige niet achterna, ik beijver me eerder alles te laten in de verhoudingen en percentages die het leven zelf aan zijn verschijnselen geeft.” Ook dat lijkt eerder tegen dan voor Fontane te pleiten, want overdrijving - denk maar aan Dickens en Dostojevski - is vaak juist het kenmerk van grote literatuur.

Ik weet eigenlijk niet goed waarom ik zo ontzaglijk veel houd van de schrijver Fontane in het algemeen en de briefschrijver Fontane in het bijzonder. Van passages als deze krijg ik nooit genoeg: “Zou je in je volgende brief een naainaald met een draad zwarte garen of zijde willen stoppen, maar dan wel eerst apart verpakt: alle moderne broeknaden zijn slecht geniet en hebben de eigenschap precies op de bedenkelijkste plaatsen te tornen, waar hulp even nodig als moeilijk is. Want juist door de plaatsen kan men zich niet vertrouwelijk tot een klein roodharig dienstmeisje wenden. Dat zou zo ongeveer op een aanzoek neerkomen.” Zo'n passage wil ik hardop voorlezen, maar waarom, wat is er zo prachtig aan? Thomas Mann formuleert het aldus: “Er is iets onvoorwaardelijks betoverends in zijn stijl en vooral die van zijn oude dag, zoals hij ons in de brieven uit de jaren tachtig en negentig tegemoet treedt. Mij persoonlijk zij op zijn minst de betekenis veroorloofd dat geen schrijver uit het verleden of heden bij mij zoveel sympathie en dankbaarheid, zoveel onmiddellijke en instinctieve verrukking, zoveel onmiddellijke opbeuring, bevrediging teweegbrengt.”

Zoveel is zeker: Fontane is zwierig, maar nooit uitbundig zwierig, Fontane is fijnzinnig, maar zijn fijnzinnigheid is nooit gezocht, Fontane is ironisch, maar zijn ironie is nooit moordend of bijtend, Fontane is heel verstandig, maar niet op de manier van iemand die door zijn verstandigheid altijd oninteressant gelijk heeft. Zijn proza is licht en tintelend, en tegelijkertijd op een soevereine manier verheven. Zijn proza is, zoals Thomas Mann zo mooi zegt “in het aangezicht van de poezie geschreven”.

Streng

Opvallend, en naar mijn smaak vaak treffend juist, zijn Fontanes opmerkingen over andere schrijvers. Zo zegt hij over George Eliot: “Terwijl de anderen eigenlijk alleen details hebben, heeft zij (omdat ze nu eenmaal artistieker is dan de anderen) zowel details als compositie; ze vergist zich alleen in de mate, het is niet zozeer dat ze door de details de compositie vergeet, alleen krijgen de details teveel de overhand; tegen de kwaliteit van het geheel valt niets in te brengen, alleen de kwantiteit van de observaties heeft een deprimerend effect.” En over het werk van Toergenjev zegt hij (en dat zal noch Karel van het Reve noch Maarten Biesheuvel bevallen): “Het is eersterangs in zijn soort, alleen zulke mensen accepteer ik nog als schrijver, alles is intelligent, bewust en binnen zijn kunstopvatting eenvoudigweg meesterlijk. Toch is het een dwaalweg en een miskenning van de meest eigenlijke, innerlijke aard van de kunst.” Elders is hij nog strenger: “Ik bewonder de scherpe waarnemingen en de hogere mate van kunst, die alle holle frasen en prulledingen versmaadt, maar eigenlijk verveelt het me, omdat het de dingen zo grenzeloos prozaisch, zo volledig onverheerlijkt beschrijft. Maar zonder die verheerlijking kan de kunst eigenlijk niet bestaan, ook niet wanneer de schrijver in zijn beeldende vermogens een ware kunstenaar is.”

Een smet laat zich ontwaren. Fontane doet in zijn brieven soms antisemitische uitlatingen. Ook in zijn roman Der Stechlin zijn in dit opzicht bedenkelijke uitspraken te vinden. Dit minder fraaie trekje van Fontane heeft samensteller Hans Ester gelukkig niet verdoezeld.

Zijn keuze is bepaald representatief voor de briefschrijver Fontane. Wel is er kennelijk naar gestreefd om vooral zoveel mogelijk brieven op te nemen die Fontane aan zijn vrouw schreef. Zo is in deze bloemlezing de prachtige brief te vinden die Fontane op 15 augustus 1876 aan zijn vrouw Emilie stuurde. Daarin leest hij haar fijnzinnig de les. Als je deze brief leest, springen tranen van spijt in je ogen, spijt omdat de verlovingsbrieven van Emilie niet bewaard zijn gebleven. En we weten in het geval van Multatuli (en Freud) hoe uitzonderlijk verlovingsbrieven vaak kunnen zijn.

Tinke Davids heeft de brieven heel goed vertaald. De typische, moeilijk te karakteriseren Fontane-toon, is zelfs in het Nederlands volop aanwezig. Het is, als je deze brieven leest, of je hem hoort en ziet, deze, voor mij, grootste van alle Duitse schrijvers, deze zonder enige twijfel meest 'liebenswurdige' figuur uit de hele wereldliteratuur.