Eens soldaat, altijd soldaat; Novelle van de Zwitser Thomas Hurlimann

Thomas Hurlimann: Het tuinhuis. Novelle. Vert. Gerda Meijerink. Uitg. De Geus, 107 blz. Prijs (f) 29,50.

De twee echtelieden die elkaar het leven zuur maken in Thomas Hurlimanns novelle Het tuinhuis brengen hun rouw om een gestorven kind als wapen in de strijd. Ze kunnen het niet eens worden over het soort graf dat de jong gestorven zoon moet krijgen. Tegen de zin van de man, die een rozestruik had gewild, bestelt de vrouw een bombastische gedenksteen. De man opent een tegenoffensief: achter de rug van zijn vrouw om begint hij een zwerfkat te voeden, met rauw vlees dat hij achter het grafmonument begraaft. Hurlimann (1950) benadrukt het contrast tussen het ontbindende lichaam van de zoon met de van dag tot dag welvarender ogende kat. Het lijkt wel alsof het lenige dier de spot drijft met de vrouw, die verstard is in het verdriet waaraan zij zich demonstratief heeft overgegeven.

De reeds bejaarde man, een ex-kolonel, voert zijn offensief met militaire precisie uit, volgens het parool: “We laten ze komen, nemen ze in de tang, dan slaan we toe.” Hij denkt dat zijn actie hem jonger maakt; in feite is hij een schim uit het verleden, de drager van een levensvijandige denkwijze die geen enkele toekomst heeft. “Eenmaal soldaat, altijd soldaat. Hij was en bleef georienteerd op het front, concentreerde al zijn aandacht op de voorhoede, maar op de krachten in het achter hem liggende gebied kreeg hij - geen vat.” Steeds sterker beginnen de doden zijn gedachten te beheersen. De kolonel verwart dat met zelfbeheersing. Geleid door zijn rechtlijnige en onverbiddelijke logica marcheert hij linea recta het rijk van de waanzin binnen.

Ook de vrouw leeft in een wereld van gisteren. Krampachtig tracht zij de oude familiegebruiken in stand te houden, maar tegen de moderne smakeloosheid - haar eigen dochter rijdt Toyota! - is geen kruid gewassen. Man en vrouw kruipen, ieder voor zich, in hun verleden weg als in de uithoeken van een vertrouwd oud huis. Dat het daar allerminst veilig is verraden de nachtmerries van de kolonel, waarin de zon als een 'zwavelgele kwal' aan de hemel staat, waar sneeuw als 'asregen' valt en zijn vrouw met een gasmasker op het graf van zoonlief danst.

Verstard

Is de apocalyps in aantocht? Even ziet het eruit alsof er in het Zwitserland van Hurlimann al een kernoorlog heeft gewoed: “Geen beweging, geen geluid, en toch is aan het land, de dingen en de mensen nog te zien hoe ze vroeger zijn geweest. Op de perrons, wijdbeens verstard, wachten ze op de binnenkomst van een trein, op het goederenperron staan drie spoorwegbeambten, opgerolde vlaggen onder hun arm, en het bovenlichaam van een machinist hangt uit het zijraam van een rangeerlocomotief. De bovenleidingmasten geknikt, sommige van hun sokkel gerukt. En een trein die naast de spoordijk ligt.” Het blijkt de beschrijving van een Marklin-maquette in het tuinhuis te zijn, die vader en zoon ooit samen bouwden.

Anders dan in de verhalenbundel De vrouw uit Ticino (1981), waarin Hurlimann openlijk de dood van een broer van zich afschrijft, houdt de auteur zichzelf dit keer zorgvuldig op de achtergrond. Het tuinhuis is een klassiek werkstuk met ronde, uitgebalanceerde zinnen en schitterende vergelijkingen (kindergehuil bijvoorbeeld “springt zo bont als een bal” over een muur). De traditionele stijl past heel goed bij de inhoud. Het verhaal gaat immers over vormen. De kolonel en zijn vrouw leven in een prachtige villa en ze gaan uiterst voorkomend met elkaar om. Aan de oppervlakte is geen rimpeling te bekennen; de driften woeden onderhuids.