Een guerrilla tegen de nieuwe tijd; De geschiedenis van een Hongaars-joodse familie

Charles Fenyvesi: Toen de wereld nog heel was. Vertaling: Anneke van Huisseling. Uitg. Prometheus, 215 blz. Prijs: (f) 39,90.

Herinnering is misschien wel in de eerste plaats emotie en heeft soms net zulke wonderlijke gevolgen als liefde of wraakzucht. Neem nu Charles Fenyvesi, een alom gerespecteerde Amerikaanse journalist van Hongaars-joodse afkomst, die voor onder meer de Washington Post werkt.

Twee jaar geleden, in april 1989, was Fenyvesi aanwezig bij de requiemmis in de St Matthew's Cathedral in Washington ter ere van de zojuist in Zwitserland overleden Zita, de laatste keizerin van Oostenrijk-Hongarije. Fenyvesi was geen bigotte Habsburgse monarchist.

Hij werd pas negentien jaar na haar troonsafstand geboren en kende de stokoude ex-keizerin noch een van haar familieleden persoonlijk. Ze had trouwens een uitgesproken hekel aan Hongaren. Toch zong hij, voor het eerst van zijn leven, tijdens die mis vol overgave het Kaiserlied, de hymne van de Habsburgers.

Fenyvesi ging in de eerste plaats naar de mis omdat hij zich zijn voorouders herinnerde, die in het oosten van Hongarije generaties lang onder het wat goedmoedige despotisme van de Habsburgers zonder chaos en grote maatschappelijke beroering gelukkig waren geweest en tot welvaart waren gekomen. Uit dank daarvoor hief hij in 1989 het Kaiserlied aan voor een van oorsprong Italiaanse prinses, die niet langer dan twee jaar prinses was geweest en aan de verdiensten van het huis Habsburg eigenlijk part noch deel had.

Fenyvesi was als maatschappelijk geslaagd balling in die tijd een van de velen, die op zoek waren naar de wortels van hun bestaan. Hij sprak met oudere familieleden, en die raakten onderling sterk verdeeld over hun geschiedenis. Er bleek niets op schrift te zijn gesteld. De eeuwenlange mondelinge overlevering was overwoekerd door latere verdichtsels en nostalgische verfraaiingen.

Fenyvesi toont zich een wijs man. Hij gaat niet op zoek naar de zogenaamde echte werkelijkheid, die tweehonderd jaar later toch niet meer te reconstrueren valt. Zich bewust van de grote hoeveelheid schijn in het familierelaas, stelt hij de verhalen die hij hoort te boek en zet zo een nadeel om in een voordeel: “Iedere variatie bewijst de kracht van de plot, weet ik nu. Een vindingrijke aanpassing is een bijdrage van de verteller, een doordachte verandering, een blijk van toewijding en waardering.” Met andere woorden, een op literaire wijze beschreven werkelijkheid, die de realiteit misschien wel dichter benadert dan de zogenaamde wetenschappelijke methode.

BEDELSTAF

In Toen de wereld nog heel was zijn nu de fascinerende verhalen vastgelegd van het Oosteuropese chassidisme, een soort joodse Pinksterbeweging, en de wonderrabbi's, die daaruit voortkwamen. Zoals het verhaal over rabbi Izaak Taub, de beroemdste rabbijn van Hongarije, die zich verstoutte aan de joodse feestdis Hongaarse liedjes te zingen, die zigeuners onder zijn beste vrienden telde, optrad als befaamd huwelijksmakelaar en die het Oostenrijkse juk van de Hongaren vergeleek met het lot van de joden in Israel.

In de agrarische samenleving van Oost-Hongarije, die tot de dag van vandaag is blijven bestaan, slaagde de familie Schwarcz, waaruit de moeder van Fenyvesi stamt, er ten tijde van het bewind van Frans Josef in zich op te werken tot grootgrondbezitters in Oost-Hongarije. Ze waren zich zeer bewust van hun stand, maar tegelijkertijd hecht met het wel en wee van hun streek verbonden. Met de dood van Frans Josef, het einde van de Donaumonarchie, het kortstondige bewind van de radenrepubliek in Hongarije na de Eerste Wereldoorlog, viel ook het agrarische imperium van de familie Schwarcz uiteen. Men raakte bijna aan de bedelstaf.

Hoogtepunt in het boek is het verhaal 'De liefdes van een rozenkweker'. De analogie tussen de neergang van Hongarije in de twintigste eeuw en de levensloop van Fenyvesi's oom Misji wordt door hem zo treffend weergegeven dat ik daarvoor graag menig wetenschappelijk verantwoord werk inlever. Misji weigert het faillisement van zijn vader, de grootgrondbezitter, te accepteren en blijft in een soort eenmansguerrilla tegen de nieuwe tijd het leven van een bonvivant voeren. In de oorlog lukt het hem aan de vernietiging te ontkomen door met valse papieren lid van de Duitse Wehrmacht te worden en vecht hij in de Sovjet-Unie. Na de oorlog trouwt hij, al over de veertig, met een oude jeugdliefde uit zijn geboortestreek. Een innige vriendschap met een Armeense officier uit het Sovjetleger zorgt ervoor dat zijn bandenreparatiebedrijfje in Boedapest formeel tot Russisch staatsbedrijf wordt genationaliseerd en zo buiten het bereik van de Hongaarse nationalisatiegolf blijft.

Als prive-ondernemer, pro forma in dienst van een sovjet-staatsbedrijf, verdient Misji veel geld. Hij besteedt het onder meer door achterin de zaak iedere dag hof te houden voor zijn vrienden, nazaten van de landadel, die hij op chocola en echte Turkse koffie trakteert. Om de druk en grauwheid van het dagelijkse communisme te ontvluchten bouwt hij vlak buiten Boedapest bovendien een weekendhuisje, waar hij de agrarische traditie van zijn familie weer oppakt. Hij legt een moestuin aan, houdt ganzen, plant fruitbomen en kweekt rozen. In het weekend, als hij zijn vrienden en familieleden aan een rijk beladen dis uitnodigt, slaagt Misji er zo in om, midden in de jaren vijftig, een nietig bastion tegen de treurige tijd op te richten, waar de atmosfeer en het goede leven van weleer even terugkeren.

KOLCHOZE

Misji's broer Sjoemi, die ook jarenlang in Boedapest woonde, voelde zich aan het einde van zijn leven nog zo met zijn geboorteplaats Derzs verbonden dat hij er koste wat kost, tegen alle bureaucratische oekazes in, begraven wilde worden. Hij won de taaie strijd tegen de ambtenaren en in mei 1989 werd in Derzs voor het eerst sinds meer dan veertig jaar weer een jood op het joodse kerkhof begraven. De winkels en de kolchoze waren dicht die dag. Alle dorpsbewonners woonden de begrafenis bij: “Voor het eerst in de geschiedenis zeiden zes Grieks-Orthodoxe kinderen kaddisj, het Hebreeuwse gebed voor de doden, dat Sjoemi in Hongaars schrift en voor de leesbaarheid in hoofdletters had getypt en dat ze op zijn verzoek luid voorlazen nadat de kist met aarde was bedekt.”

De behoefte aan herinnering, die Charles Fenyvesi tot zijn boek bracht, heeft niet tot kitscherige nostalgie geleid, maar tot een indrukwekkend verhaal over een familie, waaravan wel en wee onverbrekelijk met het lot van Oost-Europa was verbonden.