Een Gemeenschap van 24 leden?

“Naar een Gemeenschap van vier en twintig.” Deze titel gaf Frans Andriessen, Europees commissaris van externe betrekkingen, aan de rede die hij op 19 april te Brussel hield voor vertegenwoordigers van Europese Kamers van Koophandel.

Met andere woorden: in Andriessens visie zal het aantal leden-staten van de Gemeenschap - thans twaalf - binnen afzienbare tijd verdubbelen. Ja, misschien wel meer dan verdubbelen, want in zijn rede zelf zei hij dat de Europese Gemeenschap “de komende jaren met twaalf of meer aanvragen voor lidmaatschap geconfronteerd zou kunnen zijn”

(mijn cursivering). Aangezien Europa 29 onafhankelijke staten telt (Andorra, Liechtenstein, San Marino en Monaco niet meegerekend), zou de Gemeenschap dan vrijwel geheel Europa beslaan. Een onverwacht vooruitzicht.

Toch is Andriessen serieus, want hij ried zijn gehoor van zakenlieden aan in hun beleggingsstrategieen rekening te houden met “een economisch gebied dat aanzienlijk groter zal zijn dan de (tegenwoordige) twaalf”, en dat gebied zal dan “niet een los vrijhandelsgebied zijn, maar een wijde zone van politieke en economische vrijheid”.

Het is duidelijk dat, zelfs in Andriessens visie, al die landen niet meteen volledig lid van de Gemeenschap zouden kunnen worden. Daarvoor zijn ze economisch nog veel te zwak, en sommige hunner, zoals Roemenie en Bulgarije, voldoen zelfs nauwelijks aan de politieke voorwaarden voor het lidmaatschap.

Niettemin vindt hij het nodig hun het vooruitzicht van lidmaatschap te bieden - ja, meer dan een vooruitzicht: hij spreekt over een 'geaffilieerd lidmaatschap', krachtens hetwelk de nieuwe leden, afhankelijk van de staat van hun economie, aan sommige activiteiten van de Gemeenschap zouden kunnen meedoen, en aan andere niet.

Politieke en monetaire samenwerking zijn gebieden waar, volgens Andriessen, geaffilieerde leden al spoedig actief zouden kunnen worden. In elk geval zou de mate van deelneming 'geval voor geval'

besloten dienen te worden. En dit gehele gevarieerde en ingewikkelde proces van uitbreiding van de Gemeenschap zou tegelijkertijd het proces van verdieping ervan - dus het proces van steeds enger samengaan waar de twaalf van nu mee bezig zijn - niet mogen verhinderen.

Of dat laatste zou lukken, is de vraag. Maar een Europa van verschillende 'snelheden' of a geometrie variable is althans een theoretische mogelijkheid. Het is al meermalen bepleit, en in de praktijk bestaan er voor de zwakkere leden van de Gemeenschap zoals zij nu is, al talloze uitzonderingsmaatregelen en tegemoetkomingen.

Anders is het gesteld met de politieke samenwerking. Zeker, daaraan zouden de geaffilieerde leden inderdaad meteen volledig moeten kunnen deelnemen. Anders ontstaat er een verdeling tussen eerste- en tweedeklasleden. Maar de vorming van een extern beleid door 24 staten zou nog veel omslachtiger en tijdrovender zijn dan dat nu al tussen twaalf staten het geval is. De gedachte van een politiek krachtig en slagvaardig Europa kan dan wel helemaal vergeten worden.

Dan rijst de vraag wat belangrijker is: het ontstaan van een kleiner, maar slagvaardig Europa, dat als eenheid kan meepraten in de beraadslagingen der wereld; of het openen van een nieuw tehuis voor landen die zich ontworsteld hebben aan een jarenlange tirannie en, alleen gelaten, zullen ondergaan in een chaos die ook het welvarende deel van Europa niet ongedeerd zal laten?

Zij die in de eenheid van Europa een doel in zichzelf zien, zullen voor het eerste opteren. Staatssecretaris Dankert, oud-voorzitter van het Europese Parlement, heeft dan ook al dadelijk Andriessens idee als 'voorbarig' afgewezen: eerst moeten de huidige twaalf leden-staten overeenstemming over de toekomstige politieke en monetaire inrichting van de Gemeenschap hebben bereikt.

Zijn minister, Van den Broek, lijkt er anders over te denken. In een rede voor het Global Panel te Amsterdam op 9 april heeft hij gepleit voor een 'boude stap': de kleinere Oosteuropese landen het vooruitzicht bieden van het lidmaatschap van de Europese Gemeenschap tegen het jaar 2000. “Integratie in het moderne Europa zou het psychologische vacuum vullen dat die landen thans teistert en hun stabiliteit op den duur bedreigt.”

Van den Broek zou dit aanbod, dat meer op Andriessens idee lijkt, voorlopig beperkt zullen zien tot Hongarije, Tsjechoslowakije en Polen. Hij noemt het een “teken van vertrouwen met een ingebouwde stabilisator”. Zeker zou het die landen een doel geven waar ze hun inspanningen op kunnen richten. Het lijkt wel het minste te zijn wat we die landen kunnen bieden, nadat we ze zolang hebben aangemoedigd ons voorbeeld te volgen.