De tegenhanger van Machiavelli; Wie veel kan moet bescheiden zijn

Baldassar Castiglione: Het boek van de hoveling. Vert. Anton Haakman. Uitg. Contact, 312 blz. Prijs (f) 55,- (geb.) of (f) 37,90 (ing.)

Wie zich maar enigszins heeft verdiept in de Italiaanse renaissance, kent het door Piero della Francesca geschilderde portret van Federico da Montefeltro: een prachtige kop, die met zijn geprononceerde kin en hoekige haviksneus een zelfbewustheid uitstraalt die ontzag afdwingt.

Deze Federico ('het licht van Italie') heerste halfweg de vijftiende eeuw over het hertogdom Urbino in de Marken. Hij was behalve een succesvol condottiere ook een prachtlievend vorst: zijn hof, waaraan niet minder dan vijfhonderd personen emplooi vonden, was gedurende een aantal decennia een brandpunt van renaissancecultuur. Het door Federico gebouwde paleis vormt nog steeds een van de indrukwekkendste toeristische attracties van Midden-Italie.

Dit paleis levert het decor voor het zich in 1507 (onder het bewind van Federico's zoon Guidubaldo) afspelende Boek van de hoveling. Dit werk, dat nu in een stilistisch bewonderenswaardige vertaling van Anton Haakman in de boekhandel ligt, kan als een van de sleutelteksten van de renaissance worden gekenmerkt. De leefwereld die erin wordt geschetst, weerspiegelt de idealen van de vorstenhoven van die tijd, en men kan Urbino in gedachten dan ook rustig vervangen door Mantua, Rome, Florence of Ferrara (om maar wat andere centra te noemen).

De schrijver, Baldassar Castiglione, was zelf het grootste deel van zijn leven in dienst als hoveling: in Milaan bij Ludovico il Moro, in Mantua bij Francesco Gonzaga, in Urbino bij Guidubaldo da Montefeltro en diens opvolger Francesco Maria della Rovere, en in Rome bij paus Clemens VII. Hij was vooral werkzaam als diplomaat en als zodanig reisde hij naar Engeland, Frankrijk en Spanje. Karel V noemde hem bij zijn dood in 1529 uno de los mejores caballeros del mundo. Niet alleen de politiek trok hem aan, maar ook de literatuur: hij schreef Italiaanse en Latijnse gedichten (die vrijwel geheel in het vergeetboek zijn geraakt) en daarnaast het nu vertaalde Libro del cortegiano (dat in de zestiende eeuw een universele bestseller was en dat ook nu nog bij cultuurminnaars hoog staat aangeschreven).

Al op een van de eerste bladzijden karakteriseert Castiglione zijn boek als “een geschilderd portret van het hof van Urbino, zij het niet van de hand van Rafael of Michelangelo, maar gemaakt door een onbeduidend schilder die alleen maar de hoofdlijnen kan trekken en niet in staat is de waarheid met mooie kleuren te sieren.”

Uit dit citaat springt een eigenschap naar voren die typerend is voor Castiglione, namelijk zijn bescheidenheid. Deze karaktertrek, die op vele plaatsen aan de oppervlakte komt, maakt de schrijver sympathiek.

Hij weet dat hij een groot werk ter hand heeft genomen, maar beseft tegelijkertijd dat zijn krachten ontoereikend zijn om het in alle opzichten naar behoren uit te voeren: “Wie grote dingen moet verrichten”, zo noteert hij ergens, “moet zich bescheiden uiten en laten merken dat hij minder pretendeert dan hij doet, want anders ontaarden zijn pretenties in overmoed.”

Deze bescheidenheid gaat gepaard met een weldadig gevoel voor betrekkelijkheid. Castiglione schrijft vanuit de instelling dat hij de waarheid niet in pacht heeft en dat zijn werk niet meer dan een historische momentopname is: “Gewoonten, kleding, rituelen en leefwijzen die vroeger in aanzien stonden, zijn nu in diskrediet geraakt en wat vroeger als minderwaardig werd beschouwd, wordt nu gewaardeerd.” Hiermee hangt samen dat elk dogmatisme hem vreemd is, want “niet alleen kunnen wij onderling over iets van mening verschillen, ikzelf kan ook wisselend over iets denken.”

HOFDAMES

Dit relativisme heeft Castiglione er gelukkig niet van weerhouden om de opvattingen die hij en zijn tijdgenoten met betrekking tot het hofleven huldigden uitvoerig en gedegen op papier te zetten. Het doel dat hij zich stelt is 'een portret te schetsen van een volmaakte hoveling'. Over dit thema laat hij een select gezelschap van edellieden, hofdames en literatoren vier avonden achter elkaar discussieren. Tot de gesprekspartners (niet minder dan 23 personen, van wie sommigen veel en anderen weinig praten) behoren gerenommeerde schrijvers als Pietro Bembo en Bernardo Bibbiena, politieke figuren als Giuliano dei Medici en Ottaviano Fregoso, kunstenaars als Giovan Cristoforo Romano, en beroepsmilitairen als Pietro Monte. Er nemen ook enkele vrouwen aan de discussies deel, onder anderen Elisabetta Gonzaga, de echtgenote van hertog Guidubaldo, en haar schoonzuster Emilia Pia, die met de algehele leiding wordt belast. Castiglione zelf is niet op de avonden aanwezig: om een zekere afstand tot zijn onderwerp in acht te nemen doet hij het voorkomen alsof hij op het moment van de samenkomsten in Engeland vertoeft.

Op de eerste twee avonden probeert men gezamenlijk tot een profielschets van de hoveling te komen: wat voor een karakter moet hij bezitten, hoe moet hij zich in de omgang gedragen, welke bekwaamheden moet hij nastreven? De eigenschappen die hem worden toegeschreven zijn zo talrijk dat het ondoenlijk is ze hier allemaal op te sommen: hij moet van adellijke afkomst zijn en ervaren in het hanteren van de wapenen, hij moet blijk geven van lichamelijke souplesse en kunnen omgaan met paarden, hij moet thuis zijn in de letteren en verstand hebben van muziek, hij moet hoffelijk zijn in de omgang en elegant in kleding en uiterlijk, hij moet een aangenaam causeur zijn en de conversatie op z'n tijd met een bon mot weten te kruiden. Al deze kwaliteiten behoren vergezeld te gaan van een gezonde dosis sprezzatura: een houding “waarmee men de indruk wekt dat men wat men doet of zegt, zonder moeite en bijna achteloos doet of zegt”. Het aantal eigenschappen dat voor de hoveling vereist is blijkt zo groot te zijn dat een van de gesprekspartners op een gegeven ogenblik verzucht “dat er op de hele wereld geen vat te vinden is dat groot genoeg is om alles te bevatten waarover deze hoveling moet beschikken”.

De derde avond staat in het teken van de vrouw, waarbij vooral de kwaliteiten van de hofdame aan de orde komen. Men is praktisch unaniem van mening dat de ideale hofdame beminnelijk, bescheiden en welgemanierd moet zijn, dat zij zich vrij moet bewegen maar toch ook weer niet te vrij, dat zij nu eens opgewekt en dan weer ernstig moet zijn maar nooit verwaand. In feite moet zij dezelfde eigenschappen bezitten als haar mannelijke collega: “Zij moet op de hoogte zijn van literatuur, muziek en schilderkunst, zij moet kunnen dansen en meedoen aan spelen en, met haar bescheidenheid en haar vermogen een goede indruk te maken, ook de andere beginselen eerbiedigen waarin de hoveling is onderricht.”

Herhaaldelijk wordt de discussie over dit onderwerp 'opgevrolijkt' doordat enkele gespreksdeelnemers zich wat cynischer opstellen en met gepeperde opmerkingen lucht geven aan hun misogynie. In deze oppositie kan men de echo zien van een in de renaissance wijdverbreid antifeminisme. Zo lezen we ergens: “Wijze mannen hebben geschreven dat de natuur, die altijd streeft naar absolute perfectie, als zij kon, alleen maar mannen zou voortbrengen; wanneer er een vrouw wordt geboren, is dat een gebrek of vergissing van de natuur en in strijd met haar bedoeling.” Het pleit voor Castiglione dat hij dit soort opvattingen niet verzwijgt of wegmoffelt, maar openlijk naar voren laat komen, ten einde ze beter te kunnen bestrijden.

WIJSHEID

Op de vierde avond gaat het over de vraag hoe de hoveling zich moet opstellen tegenover de vorst bij wie hij in dienst is. Met grote nadruk wordt daarbij door diverse sprekers gesteld dat zijn taak een opvoedende is: “Zoals een arts moet zorgen voor de gezondheid van de mensen, zo moet de hoveling zorg dragen voor de deugdzaamheid van de vorst.” Hij moet zijn heer in deugd en wijsheid aansporen tot een bewind waarin vrijheid, rechtvaardigheid, eendracht en godsdienstzin gewaarborgd zijn. Het gesprek mondt ten slotte uit in een regelrechte apotheose, wanneer de dichter en theoreticus Pietro Bambo met een gloedvol betoog over de platonische liefde de avond beeindigt.

Het voorgaande kan niet meer dan een globale indruk geven van de overstelpende rijkdom van dit boek. Wie een zwak heeft voor de Italiaanse renaissance en met name voor de verfijnde hofcultuur daarvan, komt op elke bladzijde dingen tegen die de nieuwsgierigheid prikkelen of het inzicht verbreden: verwijzingen naar de klassieke oudheid, historische of biografische bijzonderheden, klinkende gezegden en uitspraken, verhalen vol humor en esprit, levendige anekdoten, theorieen over kunst en literatuur. Ook valt er heel wat wetenswaardigs te lezen over allerlei bekende personen: van Alexander de Grote tot Cicero, van Sappho tot Corinna, van Rafael tot Michelangelo, van Petrarca tot Ariosto, van Bidon tot Josquin des Pres, van Alexander VI tot Isabella van Spanje. Castiglione's Boek van de hoveling zit zo boordevol informatie dat ik, nu ik het voor de tweede keer heb gelezen, haast het idee heb dat ik een nieuw boek onder ogen heb gehad.

Hoe is het mogelijk dat Castiglione's Hoveling en Macchiavelli's Heerser in hetzelfde tijdsbestek (rond 1515) tot stand zijn gekomen?

De boeken ademen een zoverschillende sfeer dat ze bijna elkaars tegengestelden zijn: optimisme tegenover pessimisme, idealisme tegenover realisme, christelijke virtu tegenover heidense virtu . Er zijn tussen de twee boeken ook wel overeenkomsten aan te wijzen (beide hebben met karakter van een handleiding en beide gaan in op de relatie hoveling-vorst), maar wat een verschil tussen de twee levensvisies!

De hoveling die door Castiglione wordt geschilderd is voor alles een toonbeeld van redelijkheid. Het ideaal dat hem voor ogen staat (althans behoort te staan) is te leven 'met de rede als gida' en 'geleid door het gezond verstand', want, zo wordt ergens uitgelegd, “wie niet verstandig is vervalt gemakkelijk in uitersten”. Het zou geen enkele moeite kosten om deze redelijkheid, die zeker met het renaissance-ideaal van harmonie en evenwicht in verband te brengen is, met vele andere citaten te onderbouwen. Uit de semantische variatie waarmee de schrijver er steeds weer op terugkomt (een kwaliteit die ook in Haakmans vertaling voortreffelijk bewaard is gebleven) blijkt hoe belangrijk deze eigenschap voor hem is. Het kan haast niet anders of Castiglione is ook zelf een redelijk man geweest, iemand die een zaak weloverwogen van meerdere kanten kon bekijken, een evenwichtige en gelijkmatige persoonlijkheid.

Dit evenwicht en deze gelijkmatigheid kenmerken ook zijn stijl. Maar daar doet zich het paradoxale verschijnsel voor dat iets wat op zichzelf positief is negatief blijkt uit te werken. Castiglione's schrijftrant is zo perfect en harmonieus dat zij soms een zekere monotonie en langdradigheid met zich meebrengt. Je merkt het bij het lezen niet onmiddellijk, maar op de langere duur werkt zijn gestroomlijnde proza toch enigszins verdovend. Maar voor de echte liefhebber mag dat geen bezwaar zijn.