De onvernietigbare

Van het werk van Tjalie Robinson, alias Vincent Mahieu, alias Jan Boon (1911-1974), schrijver van korte verhalen en oprichter van Tong Tong, alias Moesson, is blijkbaar nog steeds lang niet alles in druk.

Kort geleden verscheen alweer een bundel niet eerder gepubliceerde korte verhalen, ditmaal bij Querido, onder de titel Schat, schot, schat (1990, met een Toelichting van Rob Nieuwenhuys), en sommige van deze verhalen behoren tot het beste dat ik tot dusver van hem gezien heb. Is er nog meer? Deze 'zes vertellingen' “zijn evenals de drie verhalen uit de bundel Schuilen voor de regen (Moesson, 1989) uit een chaotische hoeveelheid uitgetypte en onuitgetypte manuscripten, papieren, papiertjes en kladjes opgediept, al dan niet in mappen en omslagen bewaard”, schrijft Rob Nieuwenhuys, die de selectie blijkbaar heeft gemaakt, hoewel dat nergens in zoveel woorden wordt vermeld.

Hoeveel ongepubliceerd materiaal is er nog? Zijn er nog meer van zulke bundels te verwachten? Nieuwenhuys zegt er in zijn Toelichting niets over. Over de manier waarop de uitgaven van het werk van Tjalie Robinson verschijnen hangt helaas een beetje de sfeer van een onderonsje, alsof het feit dat het allemaal zo Indisch is, zoals Nieuwenhuys niet moe wordt te herhalen, dat rechtvaardigde.

“Ik ben nog steeds voorstander van een complete dundruk-uitgave van de stukjes van Kronkel”, schreef Karel van het Reve onlangs, “inclusief eventuele flauwe en mislukte en voor niemand meer begrijpelijke stukjes. Zonodig met overheidssubsidie. Denk eens aan de afschuwelijke boeken die ieder jaar weer ten onrechte subsidie krijgen! Nu zou dat geld eens een keer besteed kunnen worden aan iets dat echt de moeite waard is.” Volmaakt mee eens en hetzelfde geldt voor het werk van Tjalie Robinson. Alles, van de Piekerans van een straatslijper (oorspronkelijk verschenen in de Bataviase Nieuwsgier en naar het schijnt ook niet volledig gebundeld), de artikelen in Orientatie, de verhalen, tot en met de stukjes in Moesson, zou moeten worden uitgegeven, met inbegrip, zoals ik wel eens meer heb bepleit, van de brieven: hij moet er honderden hebben geschreven; veel ervan is misschien al niet meer te achterhalen.

Het zwakke punt van veel dat over de Japanse bezetting van Nederlands-Indie is geschreven, zo heb ik al vaak betoogd, is de exclusieve preoccupatie met eigen lot en eigen lijden. Ik heb daarbij wel eens de veronderstelling geopperd dat deze dingen misschien veel aangrijpender zouden zijn als ze zijdelings werden beschreven, bijvoorbeeld als achtergrond in een verhaal dat over iets heel anders gaat, iets dat wel in verband kan staan met gevangenschap en internering maar waarvan het tragische op iets anders dan die preoccupatie berust.

Wel, er is nu zo'n verhaal, het staat in de bundel Schat, schot, schat en het bestaat zelfs al sinds 'omstreeks 1952'; het heet 'Sonja' en beschrijft de reactie van Rudi, een oudere krijgsgevangene, die zijn vrouw herkent in een van de verhalen van een medegevangene die opschept over zijn veroveringen. Die medegevangene is een jonge Indo, “Marcel Blondeau, de onvernietigbare. De man die altijd lachte. De man die altijd zei: 'Volgende maand thuis!'. De man die niet bang was voor de Jap. Gitarist, voetballer, bokser, buitencorveeer en smokkelaar. En in zijn vorige leven scheen hij niets anders geweest te zijn dan charmeur en vrouwenjager. Aan zijn amoureuze verhalen kwam geen eind...”

Deze onvernietigbare Blondeau wordt vertellend geintroduceerd, waarbij Mahieu, d.w.z. Tjalie, de kans niet voorbij laat gaan een nummertje weg te geven van het taalgebruik dat hij als geen ander beheerste: “'Deze moet je horen. Op een middag ging ik van Batavia naar Bandoeng. Op mijn Norton, zeshonderd cece, kopkleppen, fishtails, TT-winner. Vijf uur weg, zeven uur in Bandoeng. Je denkt ken niet?

Ken! Ik blaas tachtig, negentig, honderd op de vlakke weg tot Poerwakarta. Bekasi, Tjikampek, zo!' Hij blies op zijn vlakke hand.

'Ik denk, boleh deze. Misschien al om halfzeven in Bandoeng als door zo. - In Poerwakarta ik blaas langs de bioscoop, ik kijk zo scheef uit mijn oog. Wat zie ik? Het spook van de opera. Niet echt, natuurlijk, Film nja. De ouwe met Lon Chaney, Mary Philbin, Norman Kerry, weet je.

Mieters, Peh. Ik denk: wah even. Deze moet eerst nog een keer gezien worden. Dan maar 's nachts over de bergen. Geef niks. - Goed, ik ga d'r in. Ik zit. Wat ziet mijn oog? De mooiste vrouw van West-Java, godstraf. Adoeh. Koelit langsep tot bijna blank, ogen nja groot en zwart en naar beneden, zo kuis weet je wel, maar telkens even open en berkilap. Ik denk, deze stoute is goed genoeg om voor te sterven, apa lagi leven!..' ''

Deze jongedame, die inderdaad voor Marcels charmes valt, is dus Rudi's vrouw Sonja, en de volgende twintig bladzijden bestaan uit een beschrijving van Rudi's vergeefse pogingen zich te wreken. Het verhaal zou geschreven kunnen zijn om mijn stelling te illustreren; bijvoorbeeld het feit dat gevangenen om onbetekenende redenen door de Japanners werden mishandeld: in een ander boek zou dat beschreven worden in de vorm van een aanklacht; hier is het een gegeven dat Rudi in staat stelt wraak te nemen op Marcel, en dat maakt dat de futiliteit van de aanleiding en de gratuite wreedheid van de bestraffing eigenlijk veel harder aankomen, het reduceert de Japanse bewakers op een veel effectievere manier tot primaire bruten dan wanneer het in zoveel woorden wordt gezegd.

Het verhaal is ook opmerkelijk om andere redenen; het is in feite de beschrijving van een Fehlleistung, de wraakoefeningen die een voor een mislukken; het is of Rudi eigenlijk niet in staat is tegen Marcel voldoende haat of moordlust op te brengen, en omgekeerd of Marcel onkwetsbaar is: “...later zegt hij iets dat Rudi toch wel in verwarring brengt: 'Ze krijgen mij er nooit onder, nooit! Ik overleef alles! Kijk hier, mijn levenslijn!' Hij houdt een rechte, sterke, jonge handpalm op en er loopt een diepe, solide en fraai gebogen groeve helemaal tot aan de 'tachtig jaar en zo niet negentig!' Maar als dan onrustig Rudi zijn hand ophoudt en vraagt hoe oud hij zelf wordt, geeft Marcel er lachend een klinkende klap op. Geloof toch niet aan die flauwekul!”

Wie weet hoe klassieke tragedies in elkaar zitten hoeft niet verteld te worden hoe het afloopt. Intussen is dit niet eens het opmerkelijkste verhaal in de bundel; zo is er het onthutsende 'Een bloedbad voor Ferdi', waarin op een zo radicale manier met de koloniale samenleving van Nederlands-Indie wordt afgerekend dat je soms het boek geschrokken neerlegt. Onthutsend en raadselachtig, het is te hopen dat iemand die goed bekend is met de vooroorlogse Indo-wereld (Guus Cleintuar, A ta plume!) er eens over zal schrijven.

Het mooiste en meest perfecte verhaal is wat mij betreft 'Miere', een verhaal over een djago zoals er in bijna alle verhalen van Mahieu- Tjalie Robinson optreden, maar met een ontroerend en onvergetelijk slot. Een groot schrijver, eigenlijk de enige die van het leven van een grote bevolkingsgroep in het voormalige Nederlands-Indie een beschrijving-van-binnenuit heeft achtergelaten, een beeld van hoe het werkelijk was, veel levender en veel indringender beschreven dan in enige tempo-doeloe literatuur. Het is niet overdreven om te zeggen dat hij de enige was van een groot genoeg literair formaat om dat te kunnen. Wat mij hierbij in de herinnering komt is een passage uit de inleiding van Rob Nieuwenhuys bij de vorige verhalenbundel, Schuilen voor de regen: “Dat hij schrijven kon viel me toen al op in de Kampkrant, maar zijn vertelkunst overtrof alles - Ook wij hadden een soort clubje samengesteld uit Tjilatjappers en Tjimahi-ers - Ieder kreeg zijn beurt. Sommigen waanden zich nog in het gewone leven en gedroegen zich dienovereenkomstig. Ze spraken ons toe met 'Geachte kampgenoten' of 'Toehoorders'. Ze spraken heel serieus en citeerden veel om van hun grote belezenheid te doen blijken.'

“Toen het de beurt van Jan Boon was ging hij rustig op zijn bankje zitten, rolde een sigaret met het door de Japanners beschikbaar gestelde closetpapier en begon toen zonder inleiding heel gewoon over zijn leven te vertellen, over zijn vader en moeder, over zijn grootmoeders en grootmoeders, over zijn broertjes en zusje, kortom over het leven van alledag, over het zwerven door de stad en door de natuur.”

Alleen hij, een van die Indo's waar toen zo op neer werd gekeken, en niet die gewichtige dikdoeners met hun Geachte kampgenoten en Waarde toehoorders, heeft iets blijvends nagelaten van die wonderlijke wereld die eens bestaan heeft in Nederlands-Indie.