De meeste 17de-eeuwse schilderijen vind ik stomvervelend; Gesprek met H.R. Hoetink, de directeur van het Mauritshuis

Toen H.R. Hoetink in 1971 directeur van het Mauritshuis werd, vroeg hij zich af wat hij daar moest doen. Nu, twintig jaar later, heeft hij van een tochtig schilderijenkabinet een modern geoutilleerd museum gemaakt. Morgen neemt hij afscheid als directeur. “Wat een museum nodig heeft, is rust. Dat heeft niets met saaiheid te maken.”

Aan de verzameling lag het niet. Die was al wereldberoemd. Gezicht op Delft, Het puttertje, de Anatomische Les. Maar twintig jaar geleden was er met het hele gebouw iets grondig mis. Het Mauritshuis zelf was sleets geworden. Er was nauwelijks personeel en aan de eisen van verantwoord beheer werd in de verste verte niet voldaan. In de afgelopen twintig jaar is het Mauritshuis getransformeerd van een tochtig schilderijenkabinet tot een eigentijds geoutilleerd museum.

Dat is te danken aan H.R. Hoetink, die morgen afscheid neemt als directeur. Onder zijn bewind vond een ingrijpende vijf jaar durende verbouwing plaats en kon het publiek een serie voortreffelijke tentoonstellingen bekijken. Gerard ter Borch (1974), Zo wijd de wereld strekt (1979), Ruysdael (1981), Omzien in Bewondering (1982) en onlangs Hollandse Meesters uit Amerika. Binnenkort gaat een tentoonstelling van Nederlandse miniatuurschilders open. Het voorbereidend werk voor een Vermeer-tentoonstelling is gaande. Het museum beschikt nu over werkruimte voor de staf, een bibliotheek en een restauratie-atelier. Er verschenen catalogi van de tentoonstellingen en van de collectie.

Hoetink geldt als een internationaal georienteerde museumdirecteur. Met zijn diplomatieke gaven wist hij geld en bruiklenen los te krijgen. Maar wanneer het om het uitlenen van schilderijen uit zijn eigen museum gaat, is zijn stroefheid berucht. Zijn vele plannen en hervormingen hebben niet zelden tot spanningen geleid en het is dan ook ironisch dat een van de conservatoren, F.J. Duparc, die in 1982 na een conflict is opgestapt, nu zijn opvolger wordt.

Hans Richard Hoetink (1929) werd geboren als enige zoon van de vermaarde hoogleraar in het Romeins recht H.R. Hoetink, oprichter van het Humanistisch Verbond en van het Klassiek Verbond, redacteur van de Winkler Prins Encyclopedie. In de ruime werkkamer van de zoon, met uitzicht op de hofvijver, neemt deze editie dan ook een ereplaats in onder een gezicht op Rome van Van der Ulft.

“Ik kom uit een intellectueel gezin. Mijn vader was zeer erudiet en had een grote intellectuele belangstelling. Een humanistisch milieu met een Erasmiaans beschavingsideaal. Na het gymnasium ben ik kunstgeschiedenis gaan studeren in Amsterdam, maar dat onderwijs liet veel te wensen over. Ik beschouw mezelf dan ook als autodidact. Na die studie heb ik nog overwogen in de diplomatieke dienst te gaan. Wat moest je in godsnaam met kunstgeschiedenis? Ik werd conservator in Boymans-van Beuningen. Daar heb ik catalogi gemaakt onder andere van de Franse 19de-eeuwse tekeningen. Ik heb er een levendige belangstelling voor de moderne kunst opgevat en ben zelf gaan verzamelen. In Rotterdam heb ik ook het zakenleven leren kennen. Dat was een wereld die ver buiten de horizon lag van dat hovaardige milieu waaruit ik kwam.”

Inspraak

In 1971 werd Hoetink gevraagd om directeur van het Mauritshuis te worden. “Aanvankelijk vroeg ik me af wat ik daar moest. Ik had een grote belangstelling voor moderne kunst en het was hier een statische zaak. Er was een administrateur en wat bewaking, maar praktisch geen staf en geen bibliotheek. Er woonde hier een concierge met twee dochters en twee hondjes. Er was dus eigenlijk niets behalve een ijzersterke collectie”.

In twintig jaar is het directeurschap veranderd. “Toen ik hier kwam”, zegt Hoetink, “zei een goede vriend: het Mauritshuis, wat moet je daar nou in godsnaam doen? Die schilderijen hangen toch? Maar ik heb hier hard gewerkt. Zeker omdat die staf veel kleiner was, kreeg je alles op je bureau. Alles is veel ingewikkelder geworden. Het hele begrip inspraak, stafvergadering, de meningen, de tegenwerpingen, 25 jaar geleden bestond dat niet. De directeur heeft nog wel een beslissende stem, dat vind ik ook juist. Ook bij de aankopen. Maar ik vraag wel advies. En nu is het merkwaardige dat er zo weinig mensen zijn voor zo'n post. En dat met een land met zes universiteiten. De meeste mensen willen een rustig baantje”.

Voor de kwaliteit van een museum bestaan vele criteria. Conservering en aankoop staan hoog in zijn vaandel. “Je kunt dan wel zeggen: en het publiek dan, maar in laatste instantie, als het oorlog is, gaat de kunst de bunker in. Dan maar geen publiek. Een museum is in wezen een conservatieve instelling. En wat een museum nodig heeft, en dat wordt vaak vergeten, is rust. Dat heeft niets met saaiheid te maken”.

Toch, toen tussen 1982 en 1987 het Mauritshuis verbouwd werd, is een deel van de kwetsbare collectie langdurig op tournee gegaan door Amerika, naar Japan en Parijs. Daarop is veel kritiek geweest.

“Maar”, zegt Hoetink, “daarmee heb ik wel de restauratie hier, voor elkaar gekregen. Het paste politiek gezien in de Bicentennial-viering van de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten en daar heb ik gebruik van gemaakt. Uiteindelijk heeft het veel geld opgeleverd.”

“Aankopen vind ik buitengewoon belangrijk. Een probleem is dat je hier zit met de concurrentie met het Rijksmuseum. Het wordt steeds moeilijker om schilderijen binnen te halen die van hoge kwaliteit zijn en net buiten de gangbare smaak liggen. De meeste zeventiende-eeuwse schilderijen vind ik stomvervelend. Maar ik ben er in geslaagd ben om een 25 redelijk goede schilderijen binnen te halen, het merendeel door aankoop voor betrekkelijk weinig geld en nog voor de smaak zich daarop richtte. Ik ken maar heel weinig mensen die echt goed kunnen kijken, die kwaliteit kunnen onderkennen. Een hoop collega's weten er veel van af, maar van een aantal zeg ik: laat ze in godsnaam nooit kopen”.

Het Mauritshuis geeft een beeld van de zeventiende eeuw dat zeer beperkt is. De sterke kant van de collectie, met veel kabinetstukken, geeft een achttiende-eeuwse kijk op de zeventiende eeuw. De overwegingen om die collectie aan te vullen zijn voor Hoetink moeilijk te geven. “Er zijn wat randvoorwaarden bij nieuwe aankopen. De afmetingen bijvoorbeeld. Een tweede stier van Potter kunnen we nergens hangen. Soms koop je iets wat esthetisch minder interessant is, maar dat historisch van grote betekenis is. Als er een matig schilderij van Johan Maurits van Nassau opduikt, zittend voor zijn kasteel in Brazilie. En als je vraagt of het Mauritshuis negentiende-eeuwse schilderijen koopt, dan is het antwoord: nee.

We hebben wel een schilderij uit 1885 aangekocht. Het is een Heijligers en het stelt het interieur van de Rembrandtzaal voor.

“We hebben een krachtige verzameling. Dus als mij een prachtige Adriaen of Isaac van Ostade wordt aangeboden, dan koop ik die niet, want van hen hebben we al schitterende stukken. Hobbema, Ruysdael, stillevens: dat is niet direct nodig. Wat we bijvoorbeeld missen is een laat bloemstuk van Van Huysum of een Adriaan Coorte, maar ik ga daar geen miljoen voor neerleggen. Een mooie Cuyp vind ik een groot gemis. Van Rembrandt hebben we geen belangrijk historiestuk of landschap; Philips Koning ontbreekt, maar dat kun je op het ogenblik ook wel vergeten. Maar wat we hier zeker zouden moeten hebben is Rubens. Nederland is altijd bang geweest voor een mooie Rubens. In Boymans hangen veel schetsen. Rubens, dat was de smaak van de Haagse elite. Er is er nu een op de markt in Londen, een Madonna met kind. De vraagprijs is twintig miljoen dollar. Als ik daarmee aankom verslijten ze me voor gek. Daar kan ik niet mee aankomen bij het bedrijfsleven en ook politiek is het niet verkoopbaar.

“Eigenlijk ben ik er wel voor dat een museum zou kunnen verkopen, zoals particulieren. Maar als je iets voor twee ton zou verkopen en een jaar later is het vier ton waard, is dat niet leuk. En bovendien, Rijksgebouwendienst zou tegen me zeggen. 'Uw dak lekt, mijnheer Hoetink! Mooi, dan verkoopt u maar een Ruysdael' ”.

SPONSORS

Hoetink heeft ook schilderijen gemist. Een historiestuk van Dujardin had, zo stelt hij met spijt vast, prachtig bij hem op de trap kunnen hangen. Controversieel is zijn opvatting dat ook de moderne kunst een plaats in het Mauritshuis verdient. Ger Lataster bracht na de restauratie plafondschilderingen aan. Kritiek kwam niet op het werk, maar op de plaats. Hoetinks nieuwste plan betreft de opstelling van een tweeenhalve meter hoge bronzen beeld van Markus Lupertz, Titaan op het door hem als 'wat truttig' gekwalificeerde voorplein.

Hoetink heeft stichtingen opgericht en fondsen aangeboord die het museum een gezonde financiele basis hebben gegeven en wetenschappelijk onderzoek mogelijk maken. Hij is de eerste museumdirecteur in Nederland geweest die op grote schaal met sponsors is gaan samenwerken. Hij maakt zich ernstig zorgen over de toenemende bedrijfsmatige aanpak van de musea, de vercommercialisering en bureaucratisering ten koste van een creatief klimaat. “Musea willen in het nieuws zijn om meer bezoekers te krijgen. Daar doe ik ook aan mee. Men wil meer mensen binnenhalen. De geldschieter, of het nu de overheid is of de sponsor, kijkt naar het bezoekersaantal. Amerika loopt op vele manieren voor. De meeste musea zijn particuliere musea.

Dat betekent dat de directeuren daar achterna gezeten worden door hun trustees. Die man rent zich rot, om het goud van de Inca's te krijgen of dat schilderij te kopen. Je krijgt de burn out van de Amerikaanse museumdirecteuren. Ze branden letterlijk op. Vooral van de moderne musea. Ze zitten niet in het bedrijfsleven, maar moeten, met handen en voeten gebonden aan de trustees wel de manager spelen. Een aantal van hen is de kunsthandel in gegaan. Ze hebben de kennis, de relaties en een naam en verdienen nu drie in plaats van een ton. Hier zal het dezelfde kant op gaan.

“In Boymans heb ik twaalf jaar naar tekeningen zitten turen. Daar heb ik veel van geleerd. Het voordeel van tekeningen is dat wat je ziet, echt is. Bij schilderijen weet je dat nooit. Bij tekeningen kan het blad vergeeld zijn, er kan een vlekje op zitten, maar bij een schilderij word je door de tijd belazerd. Bij een prent zie je helemaal wat het was. Een stuk porselein is na drieduizend jaar nog hetzelfde. Ik besef dan ook steeds meer dat de zeventiende-eeuuwse schilderijen een afspiegeling zijn van wat ze waren. A shadow of their smile. We hebben een illusoir beeld van de zeventiende-eeuwse schilderkunst. De contrasten binnen de schilderijen zijn veel groter geworden en daarom zijn ze nu veel romantischer. De pigmenten zijn veranderd. De bruinen en zwarten en blauwen veranderen het meest, de witten blijven goed. Dat heeft niets te maken met schoonmaken. Dat krijg je nooit meer terug.”

    • Roelof van Gelder