De Kloof tussen Voorhoor en Viernachtse; Bij de verschijning van het Verzameld Werk van F. Bordewijk

Opvallend is het veelvuldig voorkomen van k's in het werk van Ferdinand Bordewijk, van wie binnenkort het dertiende en laatste deel van het Verzameld Werk verschijnt. “Breek me de bek niet open over de K's”, schrijft H. Brandt Corstius, die Bordewijk tot zijn favoriete auteurs rekent. Merkwaardig genoeg stopte dat na de ziekte van Bordewijk in 1947. “Andere letters, de v en de j en de p en de r gaan opvallen.”

Het dertiende en laatste deel van het Verzameld Werk van F. Bordewijk verschijnt op 14 mei a.s. De dertien delen van het Verzameld Werk, verschenen bij Nijgh & Van Ditmar, zijn nog in beperkte mate leverbaar via de boekhandel. Prijs (f) 67,50 per deel.

De Nederlandse literatuur is een klachtenboek.

Komiek is de klacht dat de inhoud zo kouwelijk is (terecht, want het leven in ons koninkrijk is kouwelijk).

Kwalijk is de klacht over kwaliteitsgebrek (Wij hebben de beste dichters en columnisten ter wereld en ook nog twee goede romanschrijvers. Essays en korte verhalen moeten even wachten).

Karakteristiek is de klacht over het contantengebrek (voor het eerst in de geschiedenis kunnen Nederlandse schrijvers, ook tien romanschrijvers, leven van hun pen).

Carnavalesk is de klacht over ons kroostrijk onderwijs (de drie leraren die het goed doen wegen niet op tegen de dertigduizend die hun leerlingen het lezen alleen maar tegenmaken).

Kleinburgerlijk is de klacht dat we het Nederlandse kunstwerk niet agressief over het Kerstenrijk uitdragen (Laten de buitenlandse uitgevers het hier komen halen).

Klaarblijkelijk correct is de klacht dat klassieke schrijvers niet in de winkel liggen en dat te vaak een verantwoord Volledig werk ontbreekt.

Die laatste kritiek mag dan juist zijn, als ik haar hoor, wrijf ik me in de handen. Want wie zijn mijn favoriete auteurs uit de Nederlandse literatuur? Dat zijn Eduard Douwes Dekker en Ferdinand Bordewijk - verbaasd elkaar in dit krantestuk te ontmoeten. In de hemel, afdeling Proza, kletst Dekker met Conrad en De Kom, terwijl Bordewijk praat met Plato en Poe. Eens per jaar zien ze elkaar op een soireetje bij Couperus en converseren ze over de stegen en sloppen van Den Haag.

En laat nu juist van Dekker en van Bordewijk het Verzameld Werk keurig zijn uitgegeven! De zeven delen werk van Multatuli worden zelfs gevolgd door meer dan veertien delen Brieven & Documenten. Moeten Bordewijks dertien delen ook niet gevolgd door zijn Brieven en Dokumenten? Ik heb er geen behoefte aan. In de krant las ik dat vier (4) biografen een Leven van Bordewijk aan het schrijven zijn. Dat lijken mij er 31-2 (drie-en-een-half) te veel.

Bordewijk was een keurige advocaat die in zijn vrije tijd zes lange romans, drie korte romans, en meer dan vierhonderd verhalen schreef.

Als hij een geheim bezat, dan wist hij dat te verbergen. Dat hebben Victor van Vriesland, Willem Frederik Hermans en Nol Gregoor gemerkt.

Hij bleef tegen hen vriendelijk maar zeer afhoudend.

Zijn enige avontuur was dat zijn huis gebombardeerd werd. De vijfhonderd andere avonturen verzon hij zelf en zijn in de dertien delen van het Verzameld Werk te vinden.

Ik zou voor die vier Neerlandici wel werk weten. Een zou nauwkeurig moeten inventariseren wat Bordewijk heeft geschreven over het uiterlijk van de steden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Leiden, Schiedam, die in zijn romans zo'n grote rol spelen, maar ook over Utrecht, Haarlem, Dordrecht, Londen en Delft. “Het sterk picturale oog der surrealistische auteurs vindt stof te over met name in 'de'

stad, en dan in haar buurten die de gewone aanschouwer enkel verveling bieden'' merkt Bordewijk op naar aanleiding van Hermans' Moedwil en Misverstand.

Was Bordewijk een surrealist? Dat zou een tweede doctorandus moeten uitzoeken. Ik heb zijn stijl al zien karakteriseren als nieuwe-zakelijkheid, barok, gotiek, magisch-realisme, rococo, fascistisch, gewapend-beton, maar die karakteristieken zeggen meer over hun aandragers dan over Bordewijk. Vast staat dat schilders als Carel Willink, Bosch en Magritte niet ongenoemd kunnen blijven.

Een derde geleerde zou de vierhonderdenzoveel verhalen moeten groeperen en analyseren, want het woord 'verhaal' schiet te kort voor de vele genres kort proza die Bordewijk, als geen Nederlander voor of na hem, bedreef. Ik zal straks een slecht en een goed genre onderscheiden.

De vierde biograaf tenslotte zou nuttig werk verrichten door met een loep naar de kleinste onderdelen te kijken. Ik zal dat straks illustreren aan de karakteristieke keelklank in Bordewijks klankrijk kunstwerk.

Meer dan welke schrijver ook, misschien met uitzondering van Kellendonk en Kousbroek, is Bordewijk geinteresseerd in de vorm. Zijn pastiches op tien prozaschrijvers en zeven dichters bewijzen het.

Merkwaardig is dat in de tien korte prozastukken (Hermans, Couperus enz.) steeds een tramrit wordt beschreven. Ook Queneau nam een tram-anekdote als grondslag voor zijn door Kousbroek vertaalde Stijloefeningen. En Nabokov gebruikt in zijn in Berlijn geschreven Russische vorm-experimenten ook de tram. Is de tram de triviaalste plek? Zaten ze veel in de tram? Of was de tram voor de oorlog een spannende plek, terwijl hij nu zo gedateerd is als zeppelin en stoomboot?

KNORREND KEESTEN KINT EN KLOKKEN

Hoe interessant zijn romans ook zijn, ik wil het over de verhalen hebben. Maar over Bint moet ik iets zeggen.

Dat is (ook vanwege zijn dunte voor middelbaarscholieren!) zijn populairste boek. Aangaande de opvatting van de schrijver van Bint zijn twee dingen mogelijk. Of de schrijver maakt propaganda voor de autoritaire wijze van lesgeven door Bint. Of de schrijver wilde juist laten zien hoe die superstrenge aanpak faliekant uitpakt. Ook voor de lezer zijn er twee mogelijkheden. Of de lezer sympathiseert met Bint.

Of de lezer vindt Bint een fascist.

Er zijn dus vier mogelijke reacties op Bint, en het interessante is dat we de reacties van Garmt Stuiveling, Dirk Coster en A.M. de Jong (deze laatste voor de Vara, de tekst kan ik niet vinden) moeten rangschikken onder het kwadrant: criticus is tegen Bint en denkt dat Bordewijk voor Bint is. In een buitengewoon geestig betoog gaat Bordewijk op de kwaaie reacties van de laatste twee critici in. “Ik ben nu fascist zoals ik communist was in de roman Blokken.”

Laat ik twee verhalen kiezen. Het eerste 'Een zwarte dag' hoort tot de categorie verhalen die geheel zijn gebouwd op een woordspeling. Dat zijn hier de woorden Viernachtse wandeltocht en de schoorsteen die Schoorl en Steenwijk vormen. Bordewijk bedenkt een club van slaapwandelaars die de viernachtse van Schoorl naar Steenwijk loopt.

De stijl is die van Bomans in een Kopstuk. Veel mensen houden van Bomans. Ik niet.

Bordewijk waarschuwde Hermans dat hij geen naamgrappen (zoals Gal en Last) moest gebruiken (zelf stopt hij in een verhaal de Engelse firma Gap & Steel). Ik heb niets tegen naamgrappen, maar als enige basis voor een verhaal is het te schraal.

Is dat verhaal echt van dezelfde schrijver als die het juweel 'N.Nilling te Nille-Bizybie' ciseleerde? Een verhaal waar Nabokov trots op zou zijn.

De hoofdpersoon hoort bij de kapper van dokter Vierbuikhuisen dat de witte plekjes in zijn nek wijzen op de dodelijke ziekte niventopetrose, 'sneeuwstormstenen'.

Nilling gaat naar huis en hoort uit het trappenhuis een doodskreet. Hij kijkt boven over de trapleuning naar beneden maar “om te kunnen beseffen dat het zijn eigen stembanden geweest waren die dit onvergetelijke horensignaal van het afscheid hadden voortgebracht kreeg hij eenvoudig geen tijd van leven meer.”

Een jaar heb ik over dat verhaal nagedacht. Die man hoort zijn eigen doodskreet. Behalve voorgevoel en voorzien bestaat er dus voorhoor.

Nooit heeft een schrijver zulks beschreven. De etymologie van Vierbuikhuisen is niet de goede verklaring. Het gaat om sneeuw binnenin het rotsbeen dat de oorzenuw omsluit.

In de koude winter van 1962-63 hoorde ik op 3 januari Bordewijk in een radiogesprek met Nol Gregoor het woord voorhoor uitspreken, dat ik voorhoord had.

Er zit nog veel meer verborgen in een kapperszaak. Op 15 augustus 1950 had Bordewijk in het Utrechts Nieuwsblad (waar hij honderdvijftig kritieken in schreef, die bijna twee delen vullen) de aandacht gevestigd op de samenhang tussen het woord kapsalon en de naam Absalom. Het feit dat ze slechts de letter K verschillen is een belangrijk element in het verhaal Lotti Fuehrscheim van W. F. Hermans, dat in 1952 verscheen, maar dat hij in september 1949 schreef. Hermans en Bordewijk hadden elkaar 15 augustus 1947 voor het eerst ontmoet.

Wie vertelde wie van de (k)apsalom?

Er is nog een geval van voorhoor. In 1950 schrijft Bordewijk in een schets over een lange jongen: “die kan bij Onze Lieve Heer waarachtig op tafel kijken.”

Achterberg sluit zijn gedicht Ichthyologie, dat in 1953 gebundeld wordt, met de regel “en kunnen zo bij God op tafel kijken.” Of is dit een oude zegswijze die ik als onkerkelijke niet ken? Dan is de verrassing bij Bordewijk of Achterberg geringer.

DE K VAN BORDEWIJK

In Nederlands romanproza hoort een op de veertig woorden met een k te beginnen en een op de veertig woorden met een k te eindigen. Je zou dus denken dat in een op de 1600 woorden een k aan begin en eind staat. In werkelijkheid blijken de k's elkaar aan te trekken (of komen kerk, kijk, keek kennelijk vaak voor) en je mag in een roman verwachten dat een op de duizend woorden de keelklankkarakteristiek heeft. Maar ik durf te wedden dat het in het vooroorlogse werk van Bordewijk veel vaker gebeurt.

Elke dichter speelt wel eens met de k. Hendrik de Vries: “Puinsikkels krakten door elkander op de vlakten.” Achterberg rijmt in Kandinsky: bereik- blijk- gelijk- rijk, beschik- blik, bestek- plek- omtrek- aftrek, brak- vlak.

Maar nog nooit stapelde iemand zoveel k's als Bordewijk. Pierre Dubois haalt uit Keizerrijk een passage aan waarin kakkerlakken kruipen in de kolenkelder met een luik op een zinkput met een klapdeksel. Dubois herkent “sfeer door woordgebruik en verbeelding” maar ziet niet dat in dit fragment de letter k driemaal zo vaak gebruikt wordt als normaal.

Breek me de bek niet open over de K's bij Bordewijk. Een kale kop is bij hem: een knie in de kruin. Maar de echte cultuurschok komt door de kilometerslange kolommen met Kuuk, Krustalmorak, knolgehinnik, kaduuk, Kortrijk, kiespijndoek, kruiskerk, kik, Katshoek, katholiek, Klondyke, camerablik, clownesk, klootjesvolk en klompenvolk, kolenvork, Karbargerbok en Kiekertak uit Bint (dat natuurlijk staat tegenover Kind), Keizerrijk (het steegje naast het Handelsbladgebouw waar je nu nog lege portefeuilles kunt vinden in de ochtend), Kafka's K., kalamink, knoddestok, krikkemik, korendijk en korenhark (verfraaid tot de titel korenharp) ik klapwiek van de cognac, koekoek!

In 1947 wordt Bordewijk ernstig ziek. Daarna is de voorkeur voor de letter k niet meer in zijn werk waar te nemen. Andere letters, de v en de j en de p en de r gaan opvallen en wachten op de doctorandus.

CONCLUSIE

Er is iets merkwaardigs in het schrijverschap van F. Bordewijk. Hij is aan de ene kant een typische schrijvers-schrijver. Vooral Hermans en Kellendonk zijn hem schatplichtig. Maar hij is ook een populair auteur (met Bint en Karakter) bij een publiek dat niet veel leest. Hij heeft alle literaire prijzen gewonnen die er waren. Maar er wordt door literatoren weinig over hem geschreven.

Het raadsel is niet moeilijk op te lossen. Schrijvers letten bij een ander vooral op zijn zinnen, op de vorm, op de alinea's. Kellendonk zegt aan het begin van zijn Het werk van de achtste dag (1985) eerlijk: “Het heeft lang geduurd, voor ik in de ban raakte van Bordewijk. Dat lag aan zijn romans, . . .”

Het grote lezerspubliek wil romans. Karakter werd twintig maal herdrukt, terwijl ik het graag ruil voor mijn verhaal over N. Nilling (“Hij bezat niets om trots op te wezen en dat was hem bekend”). De twee genres ontmoeten elkaar in de korte, zeer vormbewust geschreven, roman Bint. Het zou dan ook onjuist zijn om 'het beste' uit Bordewijks oeuvre te verzamelen en uit te geven. We zullen, net als met Dekker of Vestdijk met niets anders tevreden kunnen zijn dan met het Volledig werk.

Wie alleen op het verhaaltje let, zal bij Bordewijk wel eens een saaie bladzij treffen. Maar wie op de vorm let kan op iedere pagina een verrukkelijke zin vinden, in elke alinea een verrassend woord. Neem de proef. Koop die dertien delen. Open een deel willekeurig. Waarachtig: u ziet een gouden detail. Het is nooit koek of kerftabak, maar altijd kroepoek en knoflook.