Wie stuurt de Vut met pensioen?

De Vut is niet stuk te krijgen. Ondanks alle pogingen van werkgevers om een einde aan de regeling te maken. Nederland gaat veel te graag met de Vut.

Wanneer de ene, al wat oudere werknemer aan de andere vraagt: 'Hoelang moet jij nog?', kun je er vergif op innemen dat zij spreken over vervroegde uittreding. De Nederlandse werknemer gaat niet met pensioen, hij gaat met Vut, op zijn zestigste of liefst nog wat eerder.

De Vut is een van de Grote Thema's op de agenda van het sociaal-economische overleg. Vakbonden willen uitbreiding van de Vut, ondernemers willen er eigenlijk van af. Twee conflicterende opvattingen die steevast de opmaat vormen voor CAO-ruzies. Het percentage ouderen met betaalde arbeid in Nederland behoort tot de laagste in de Westerse wereld.Werkgevers hesen in 1987 al de stormbal over de Vut. Onderzoekers van het Centraal Planbureau hadden voorgerekend hoe kostbaar deze was geworden. Van 1981 tot 1987 was het aantal vervroegde uittreders toegenomen van 22.000 tot 87.000; de kosten van de Vut waren gestegen van 0,8 miljard tot 4,4 miljard per jaar. In het jaar 2000 zouden volgens de prognose van het CPB 142.000 Nederlanders een Vut-uitkering genieten. De Vut dreigde onbetaalbaar te worden. Bovendien waren - gezien de vergrijzing van de bevolking - al die ouderen op den duur onmisbaar op de arbeidsmarkt.

De Vut - eind jaren '70 ingevoerd als middel om werkgelegenheid te creeren voor jongeren had zijn werk gedaan en kon met pensioen. Zo luidde in 1987 de boodschap. Maar werknemers waren de Vut inmiddels als verworven recht gaan beschouwen. Kom daar maar eens aan. Anno 1991 staat de Vut nog als een huis.

Sinds 1987 is de gemiddelde Vut-leeftijd gedaald van 60,2 jaar tot 59,9 jaar. Van alle werknemers die onder een Vut-regeling vallen, kan 77 procent op 60-jarige leeftijd stoppen met werken; 29 procent kan er al met 59 jaar uit. Eind 1990 telde Nederland 120.000 Vutters, vierduizend meer dan het CPB in '87 had voorspeld. Vorig jaar kostte de regeling 6,2 miljard, bijna drie procent van de bruto loonsom.

In enkele bedrijfstakken en ondernemingen is de Vut-regeling in de afgelopen jaren beperkt. Bij AKZO bij voorbeeld ging de Vut-leeftijd in 1988 van 60 naar 62 jaar. Tegelijkertijd veranderde de uitkeringshoogte. Vroeger was die 85 procent van het netto jaarinkomen. Nu is het 85 procent in het eerste Vut-jaar, 80 procent in het tweede en 75 procent in het derde. “De 'V' van Vut staat niet alleen voor vervroegd, maar ook voor vrijwillig. Het is een keuze van de werknemer. Die keuze heeft een prijs”, aldus een woordvoerder van AKZO.

In veel andere bedrijfstakken en ondernemingen is de Vut-regeling de laatste jaren nog verbeterd. In tijden van reorganisatie en herstructurering komt de regeling ook werkgevers goed van pas. Bij de banken was de Vut-leeftijd in 1988 verhoogd tot 61 jaar.

Volgens het pas gesloten principe-akkoord over de nieuwe CAO gaat de Vut-leeftijd weer omlaag tot ongeveer 60,5 jaar. “Dat hebben wij bewust gewild”, zegt CAO-onderhandelaar J. Crijns. “We zitten in een dynamische fase met fusies en reorganisaties. We willen dat op een sociale manier oplossen.”

Dat bedachten vorig jaar ook de werkgevers in de zuivelindustrie, waar eveneens driftig wordt gesaneerd. De vakbonden eisten verlaging van de Vut-leeftijd. Nergens waren de kosten van het vervroegd uittreden zo hoog als juist in de zuivel. Toch gaven de werkgevers, die onderling verdeeld waren, uiteindelijk toe: de Vut-leeftijd ging omlaag van 60 naar 59 jaar. Werknemers met veertig dienstjaren kunnen er al vanaf 55 jaar uit. In de zuivelindustrie vormen de kosten van de Vut nu al 9,8 procent van de loonsom. Bij ongewijzigd beleid loopt dat op tot twaalf of dertien procent. “De leeftijd moet weer omhoog, of het niveau van de uitkering omlaag”, zegt CAO-onderhandelaar R.

Mattheussens, directeur van Coberco te Zutphen.

De soms ambivalente houding van werkgevers tegenover de Vut wordt mede in de hand gewerkt door het niet te onderschatten 'inverdieneffect'

van de regeling: oude werknemers verdienen meer dan jongere en zijn minder produktief, onder meer omdat hun ziekteverzuim hoger is.

Bovendien drukt de Vut het werkloosheids- en vooral het arbeidsongeschiktheidscijfer.

Pag. 20: .

Nederland is niet warm te krijgen voor deeltijd-Vut .

Een psychologische factor die onder werkgevers een rol speelt, is dat ook menig directeur er graag op zijn zestigste mee stopt. Dank zij de wankelmoedigheid aan werkgeverskant hebben de vakbonden de meeste 'aanvallen' op de Vut vrij eenvoudig weten te pareren. De bonden weten wat ze willen: de Vut houden. “De Vut scoort geweldig hoog onder onze leden. Ze zijn bereid daarvoor een prijs te betalen”, zegt bestuurder J. Wijkstra van de Industriebond FNV.

Bij de (vastgelopen) CAO-onderhandelingen in de metaalindustrie is ook de Vut aan de orde. Vorig jaar al hadden de metaalwerkgevers - verenigd in de FME, vergeefs geprobeerd de Vut-leeftijd te verhogen tot 61 jaar. Dit jaar probeerden ze het langs een omweg; zij stelden voor om de uitkering voor de totale Vut-periode van een werknemer te beperken tot 350 procent van het netto salaris, ofwel vier maal de huidige jaarlijkse Vut-uitkering van 87,5 procent. Wie dan nog met 60 jaar met Vut wilde, moest dus genoegen nemen met een uitkering van 70 procent. Het voorstel was snel van tafel. De partijen hebben de hoge Vut-lasten voor lief genomen en zijn het ook vrijwel eens over de verdeling daarvan tussen werkgevers en werknemers.

Sinds enkele jaren experimenteren sommige bedrijven en bedrijfstakken - waaronder de metaal, de grafische industrie en de overheid - met deeltijd-Vut. Er zijn verschillende varianten van deeltijd-Vut. Soms kan de werknemer voorafgaand aan de 'echte' Vut korter gaan werken; voor de niet gewerkte uren krijgt hij dan een Vut-uitkering. Soms kunnen werknemers kiezen tussen volledige Vut en deeltijd-Vut. De deeltijd-variant lijkt het ei van Columbus: kennis en ervaring van de oudere werknemer blijven voor het bedrijf beschikbaar. De werknemer zelf hoeft niet meer zo hard te werken en de kosten van het vervroegd uittreden worden gedrukt. Toch lijkt de interesse van werknemers voor 'deeltijd' beperkt. In de grafische industrie is dat niet vreemd. Daar is de Vut-uitkering netto gelijk aan het salaris. Wie kiest voor deeltijd-Vut moet wel heel graag werken. In de metaal koos vorig jaar tien procent van de werknemers die de Vut-leeftijd bereikten voor deeltijd.

Het Ahold-concern introduceerde de mogelijkheid van een gedeeltelijke Vut in 1989. Tot dan toe konden Ahold-werknemers op 62-jarige leeftijd er vervroegd uit, met een uitkering van tachtig procent van het bruto-salaris. De regeling uit '89 biedt keuzemogelijkheden: een dag korter werken voor 58- en 59-jarigen, twee dagen korter werken voor 60- tot 62-jarigen en 2,5 dag voor 63- en 64-jarigen. De uitkeringshoogte stijgt stapsgewijs: van vijftig procent (58 jaar) tot 85 procent (64 jaar). Door deze financiele prikkel wil Ahold zijn werknemers stimuleren om langer te blijven werken. Waarom? “De traditionele Vut heeft een psychologisch bezwaar. In feite zeg je tegen een vijftig-plusser: je bent een ouwe lul, je moet bijna weg.

Dat demotiveert mensen. Het tweede punt is, dat we over tien, vijftien jaar een groter beroep moeten doen op ouderen. Ten derde is het zonde ervaren mensen zo jong uit het bedrijf te laten verdwijnen'', aldus C.

van Gent, hoofd arbeidszaken van Ahold.

De Ahold-werknemers mogen hun deeltijd-Vut-dagen ook 'ruilen' voor een hogere uitkering op latere leeftijd. En dat is wat ze, tot Van Gents teleurstelling, massaal doen. Negen van de tien wachten tot ze 61 zijn en met een uitkering van tachtig procent full-time kunnen Vutten.

Ahold onderhandelt inmiddels met de vakbonden over een nieuwe regeling zonder 'ruilmogelijkheid'. Ondanks gunstiger financiele condities wensen de bonden een flexibele regeling alleen te accepteren, als werknemers van zestig jaar de mogelijkheid krijgen met een uitkering van tachtig procent te stoppen. “Daarmee breng je de hele opzet om zeep. Dan pakt iedereen tachtig procent op zijn zestigste”, verzucht Van Gent.

Kortom, deeltijd-Vut 'leeft' nog niet echt, in Nederland zomin als elders. Alleen in Zweden zijn er tamelijk positieve ervaringen mee opgedaan.

Het kabinet tamboereert sinds enige tijd op een verwant thema: flexibele pensionering. Verschillende bewindslieden, onder wie premier Lubbers, minister Andriessen en staatssecretaris Ter Veld, hebben publiekelijk gepleit voor het opdoeken van de Vut en de invoering van flexibele pensionering, tussen 63 en 67 jaar. De aangevoerde argumenten laten zich raden: de hoge kosten van de Vut, de te verwachten problemen op de arbeidsmarkt door de vergrijzing, het streven naar volwaardige maatschappelijke participatie van ouderen.

In de Tussenbalans kreeg flexibele pensionering opvallend veel aandacht; in een (veelomvattende) nota over pensioenbeleid die binnenkort verschijnt zal het kabinet zijn pleidooi herhalen. Veel effect zal het niet hebben. Anders dan bij de sociale zekerheid heeft de overheid nauwelijks invloed op pensioen- en Vut-regelingen, behalve bij de overheid zelf. Daar ligt dan ook het primaire motief. Het kabinet wil om budgettaire redenen de Vut bij de overheid (kosten: 2,7 miljard gulden per jaar) de nek omdraaien, maar beseft dat dit alleen lukt als daarmee ook in de marktsector tenminste een begin wordt gemaakt.

De voorstellen van minister Dales bij de laatste 'CAO-onderhandelingen' voor de ambtenaren (geen Vut meer voor 60-jarigen; 61 tot 63-jarigen alleen in 'deeltijd') waren dit jaar kansloos, maar zullen volgend jaar weer op de agenda staan.

Het kabinet hoeft voorlopig niet te rekenen op veel weerklank in de marktsector. Werkgevers redeneren dat over de Vut - die doorgaans van jaar tot jaar wordt gefinancierd door middel van een omslagsysteem - tenminste nog te onderhandelen valt. Maar de financiering van pensioenen gebeurt door kapitaaldekking. Voor pensioen is gespaard en dat geeft werknemers pas echt onvervreemdbare rechten.

Flexibele pensionering is duur. Wie voor zijn vijfenzestigste met pensioen gaat, zal langer pensioen trekken, maar heeft een kortere periode van pensioen-opbouw en moet een AOW-hiaat overbruggen, omdat de AOW-leeftijd muurvast op 65 jaar ligt. Hoe lager de pensioenleeftijd, hoe hoger de kosten. Geen werkgever gelooft dat werknemers en vakbonden flexibele pensionering met 63 jaar als ondergrens zullen accepteren.

Voor VNO-functionaris F. Vloemans - tevens secretaris van de vereniging van ondernemingspensioenfondsen - ligt de zaak duidelijk: “Bij flexibele pensionering gaat iedereen op zijn zestigste met pensioen. Het kost goud. En een pensioenleeftijd van zestig kun je nooit meer afschaffen. We moeten de Vut dus niet inruilen voor flexibel pensioen.”

De sociale partners lijken voorlopig de hoge prijs van de Vut te blijven betalen. En de vergrijzing dan, die na het jaar 2000 zal leiden tot inkrimping van de beroepsbevolking? “We zien dat allemaal dichterbij komen, maar we zitten nu eenmaal niet in 2000”, zegt P. de Vlam van de vereniging van bedrijfspensioenfondsen.

De Vlam voorziet een 'adempauze van vijf of tien jaar', waarin verder zal worden geexperimenteerd met deeltijd-Vut en zal worden gestudeerd op flexibele pensionering. Het voorbeeld van enkele bedrijven, die al flexibele pensionering kennen, maakt duidelijk dat pensionering tussen 63 en 67 jaar voorlopig een utopie is.

Bij Dow Chemical ligt de pensioenleeftijd tussen 60 en 65 jaar. Het bedrijf compenseert het AOW-hiaat. De praktijk is dat vrijwel iedereen op 60-jarige leeftijd met pensioen gaat. Bij Heidemij in Arnhem werd in 1986 een flexibele pensioenregeling ingevoerd. Die wordt pas in 1996 operationeel, omdat eerst kapitaal moet worden opgebouwd. De regeling is zodanig dat werknemers tussen hun veertigste en zestigste jaar pensioen opbouwen, maximaal 85 procent netto van het laatst verdiende salaris. Ter financiering hebben de werknemers onder meer 3,5 roostervrije dag ingeleverd. Waarom flexibele pensionering?

“Op den duur zullen jongeren niet meer bereid zijn de Vut voor de steeds grotere groep ouderen te financieren. Bij een pensioenregeling ligt er geld op de plank”, zegt mevrouw C. Peters, hoofd arbeidsvoorwaarden van Heidemij. In het systeem van flexibele pensionering zullen werknemers vanaf 55 jaar kunnen stoppen, maar dan tegen een lager pensioen. Doorwerken in deeltijd is mogelijk. Wie daarentegen het maximale pensioen heeft opgebouwd, op zijn vroegst dus bij zestig jaar, moet eruit. Ook bij Heidemij zal de praktijk dus zijn dat de meeste werknemers, evenals bij de Vut, op hun zestigste stoppen. Peters: “De arbeidsproduktiviteit van ouderen neemt af.

Daarom is het in het belang van het bedrijf dat mensen er op hun zestigste een streep onder zetten''.