Vrede met Saddam is bittere noodzaak voor Koerden; Knieval 'om baby's en kinderen van een wisse dood te redden'

AMSTERDAM, 25 APRIL. Misselijk van machteloze woede en schaamte zagen gisteravond de naar het Westen gevluchte Koerden uit Irak hoe hun politieke leiders zich in het stof bogen voor president Saddam Hussein. Binnen de Koerdische beweging wordt reeds van verraad gesproken. Ook de Arabische anti-Saddam-bondgenoten van de Koerden, met name de shi'ieten, riepen openlijk dat zij verkocht en verraden zijn.

Slechts een minderheid van de Koerden in het Westen kan begrip opbrengen voor de politieke koerswending van hun leiders. Die hadden voor het oog van de Iraakse staatstelevisie met pseudo-hartelijke kussen duidelijk gemaakt dat zij hun 20-jarige oorlog tegen Saddam Hussein en diens Ba'ath-bewind (voorlopig?) hadden beeindigd. Zij hadden dat gedaan - zo werd informeel aangekondigd - “om de Koerdische baby's en kinderen van een wisse dood te redden”. Saddam liet zich met de gebruikelijke accolade door zijn Koerdische 'gasten'

omhelzen, zonder hen te kussen - het zekerste teken dat hij de baas was die eer ontving, zonder er iets voor terug te betalen.

Ook inhoudelijk is het principe-akkoord een vorm van Koerdische capitulatie. Zo is de stad Kirkuk met zijn omringende olievelden volgens het hoofd van de Koerdische onderhandelingsdelegatie Jalal Talabani “een Iraakse stad (..) en we zijn niet uit op een verdeling van Irak. Het probleem van Kirkuk zal later worden besproken.”

Daarmee hebben de Koerden de facto reeds afstand genomen van een eis die zij meer dan 20 jaar lang hebben gesteld.

Bovendien deelde Talabani gisteren mee dat de Koerden het vertrek van alle buitenlandse troepen uit Irak wensen. “Want wij steunen de onafhankelijkheid en de soevereiniteit van dit land (..) Wij geven de voorkeur aan de Verenigde Naties.” Daarmee speelde de Koerdische leider dubbel en dwars Saddam in de kaart.

Toch deed Talabani, die nog maar enkele dagen tevoren Saddam als een “draak” had gekarakteriseerd, het voorkomen alsof de alsnog te sluiten vredesovereenkomst een zegen voor het Koerdische volk is. Hij en de andere Koerdische leiders moeten nu de honderdduizenden Koerden, die in het grensgebied met Turkije en Iran kreperen, ervan overtuigen dat zij veilig naar hun inmiddels geplunderde en verwoeste haardsteden kunnen terugkeren.

Dat is geen gemakkelijke taak. Want het principe-akkoord dat de Koerden met Saddam sloten, is een vrede die niet uit overtuiging, maar uit bittere noodzaak werd geboren. In dat principe-akkoord is bovendien geen sprake van internationale garanties voor of internationaal toezicht op het gedrag van Saddams geheime politie.

Dat was - na de massale moordpartijen, waaraan Saddams soldaten en Saddams huurlingen zich vorige maand schuldig maakten - het minste wat de naar de bergen gevluchte Koerden hadden verwacht. Zij herinneren zich maar al te goed hoe nog maar enkele weken geleden hun familieleden volgens de door Saddam gebruikte standaardpraktijken op de meest gruwelijke wijze werden afgemaakt. En zij waren er dan ook tot gisteravond absoluut van overtuigd dat hun terugkeer gelijk stond aan zelfmoord.

De Koerdische leiders beseffen dat heel goed. Maar zij hebben het gevoel dat zij niet anders kunnen: de vrede die zij aankondigden, was de consequentie van de Realpolitik die de internationale gemeenschap der volkeren ten aanzien van Saddam Hussein volgde. President Bush en zijn Westerse bondgenoten waren - evenmin als de Arabische staten, Turkije en Iran - van plan om de bevrijding van Koeweit af te ronden met de politieke verdwijning van Saddam. Zij en de andere lidstaten van de Verenigde Naties waren het erover eens dat Koeweit wel, maar Irak niet bevrijd hoefde te worden.

De Koerdische leiders hebben dan ook lering getrokken uit hetgeen het Westen en de Arabische wereld de afgelopen weken impliciet te kennen gaven - dat Irak onder geen beding mag uiteenvallen en dat daarom het aan de macht blijven van Saddam, bij gebrek aan een beter alternatief, voorlopig te verkiezen valt.

De Koerdische leiders begrepen dat zij van de buitenwereld hoogstens humanitaire steun konden verwachten, maar zeker geen politieke en al helemaal geen militaire steun. Zij begrepen ook dat de humanitaire hulp aan de Koerdische vluchtelingen beperkt en eindig zou zijn; zodra er voldoende tentenkampen in Noord-Irak waren ingericht om de ergste nood te lenigen, zouden die tentenkampen door de Westerse geallieerden aan de Verenigde Naties worden overgedragen. Dat betekende dat de Koerdische bevolking aan de niet zo tedere zorgen van Saddam zou worden toevertrouwd. Want de hoogste functionarissen van de VN kondigden in alle toonaarden aan dat zij niet bereid of in staat waren om de vluchtelingen daadwerkelijk tegen Saddams (geheime) politie te beschermen.

De Koerdische leiders zagen voorts hoe ingetogen het Westen reageerde op de de steeds grovere provocaties van Saddams geheime politie in de stad Zakho, vlakbij de in te richten vluchtelingenkampen. Zij constateerden dat er dagelijks ten minste duizend Koerdische vluchtelingen door ziekte en uitputting om het leven komen - door Marlin Fitzwater, de woordvoerder van president Bush - als een “stabilisering van de situatie” afgeschilderd - terwijl Saddam intussen Arabische stammen naar hun vroegere woonsteden stuurde om daar voorgoed hun intrek te nemen. Tegelijkertijd gaf de Amerikaanse regering op alle mogelijke manieren te kennen dat zij niets voelde voor welke politieke betrokkenheid dan ook in de Iraaks-Koerdische tragedie.

Twee weken geleden stelden de Koerdische leiders de Westerse geallieerden op de hoogte van hun plan om met Saddam te gaan onderhandelen. Volgens hun zeggen vroegen zij de Anmerikanen of die daartegen bezwaren hadden - dan zouden de onderhandelingen gestaakt worden. Toen de Amerikanen niet negatief reageerden, wisten de Koerdische leiders dat er geen andere uitweg meer was.

De conclusie was duidelijk: als de Koerden te lang zouden wachten op politieke bescherming of op een politieke regeling, die beide niet in het verschiet lagen, dan zouden zij als de Palestijnen eindigen: als vluchtelingen in eigen land of als een verstrooid volk zonder land.

Talabani zei dat gisteren op zijn persconferentie ook met zoveel woorden. Hij noemde de Palestijnen niet als voorbeeld, omdat die - samen met andere buitenlandse huurlingen van Saddam, zoals Jordaniers, Soedanezen en de Iraanse oppositiebeweging Mujahedeen Khalq - zeer ernstig hebben huis gehouden in Koerdistan. Maar hij sprak over het lot van de in verstrooiing geraakte Armeniers - een voorbeeld dat de Koerden hoe dan ook niet moesten volgen.

Saddam en de Koerdische leiders konden elkaar tijdens de onderhandelingen vinden, omdat Saddam een Koerdisch bewijs van goed gedrag dringend nodig heeft. Hoe verzwakt de Koerden na hun mislukte opstand ook mogen zijn, zij zijn wel Saddams toegangskaart geworden voor het herstel van zijn internationale legitimiteit. Hun fotogeniek lijden en sterven hebben tot gevolg gehad dat Westerse regeringen het zich tegenover hun binnenlandse publieke opinie niet kunnen permitteren om zo snel mogelijk de bevrijdingsoorlog in Koeweit te vergeten en de betrekkingen met Irak te normaliseren.

Daarop gokken de Koerdische leiders. Zij geloven dat de politiek, economisch en militair sterk verzwakte Saddam - voorlopig althans - niet tot grootscheepse vervolgingen in Koerdistan zal overgaan, dat hij integendeel de Koerden zo veel mogelijk met rust zal laten - teneinde zich internationale respectabiliteit te verwerven.

Zij weten ook dat zij op korte termijn geen schijn van kans hebben om met een guerrilla-oorlog tegen Saddam de strijd te winnen. Maar op politiek gebied kunnen zij de strijd tegen Saddam misschien wel winnen - en wel met behulp van de democratie-nieuwe stijl die nu in Irak van de grond komt. De zwaar aangeslagen Saddam heeft namelijk onmiddellijk na de nederlaag die hij in Koeweit leed, besloten om een soort democratie in te voeren, zoals die ook in een paar andere Arabische landen bestaat. Hij begon met een shi'iet uit zijn omgeving te benoemen tot premier. Vervolgens gaf hij de kranten het bevel kritiek op de ministers uit te oefenen. Daarna kondigde hij aan dat hij een niet nader gedefinieerd deel van zijn macht afstaat aan de (door hem) benoemde regering.

Thans is Saddam druk in de weer om de koepels te herstellen van de shi'itische heiligdommen die door zijn troepen zwaar werden beschadigd. En de verwachting is dat hij binnenkort nieuwe politieke partijen zal gaan uitroepen. Hij zal dan - zoals een Arabische koning past - boven het politieke rumoer staan en zich uitsluitend van zijn geheime diensten bedienen om zijn wil in het geheim door te drukken.