Prestaties allochtonen in het basisonderwijs ver onder gemiddelde

ROTTERDAM, 25 APRIL. De taal- en rekenresultaten van allochtone leerlingen in het basisonderwijs blijven zo ver achter bij het landelijk gemiddelde dat de onderwijsperspectieven van deze groep minimaal zijn.

Het extra geld dat scholen krijgen voor zwakke leerlingen zou daarom niet besteed moeten worden aan Nederlandse kinderen met laag opgeleide ouders die nog relatief goed presteren, maar aan Nederlandse en allochtone leerlingen met een grote achterstand.

Dit staat in een onderzoek van het Nijmeegse Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen en het Instituut voor Onderwijsonderzoek in Groningen naar het effect van het onderwijsvoorrangsbeleid.

Dit beleid is erop gericht de prestaties van 'zwakke' leerlingen te verbeteren. Scholen voor allochtone leerlingen en Nederlandse kinderen van wie de ouders een lage opleiding hebben, krijgen extra, zogeheten 'wegingsgeld'. In het basisonderwijs wordt jaarlijks ruim 250 miljoen als wegingsgeld uitgetrokken en bijna 50 miljoen gulden voor samenwerking tussen scholen en welzijnsinstellingen. Volgens de onderzoekers is echter van een gerichte inzet van het geld geen sprake. Veel scholen gebruiken het om de klassen te verkleinen en de taken van de directeur te verlichten.

Ongeveer de helft van alle leerlingen blijkt in aanmerking te komen voor wegingsgeld. Bijna tien procent van hen is van allochtone afkomst, veertig procent bestaat uit Nederlandse leerlingen: kinderen met laag opgeleide ouders, schipperskinderen, woonwagenkinderen.

De groep Nederlandse kinderen is veel te groot, vinden de onderzoekers. “Met wat overdrijving kunnen we zeggen dat het beleid (...) eigenlijk de doorsnee basisschoolleerling opvat als een leerling met onderwijsachterstand.” Alleen leerlingen van wie beide ouders niet meer opleiding hebben genoten dan LBO zouden nog voor extra wegingsgeld in aanmerking moeten komen, vinden zij. Deze leerlingen presteren ver onder het gemiddelde.

Door de wegingscriteria aan te scherpen zou het totaal aantal leerlingen dat gebruik maakt van het onderwijsvoorrangsbeleid afnemen met 20 procent. Geld dat daardoor vrijkomt zou moeten worden gebruikt om de lestijd van leerlingen met een achterstand uit te breiden.

Nu geldt het criterium dat een van de ouders een laag opleidings- of beroepsniveau moet hebben. Kinderen uit deze gezinnen presteren echter nauwelijks minder dan de gemiddelde leerling.