Pestmap moet zondebokken in klas helpen

DEN HAAG, 25 APRIL. Bekken trekken, pootje haken, omduwen, naroepen, of gewoon slaan. Dat is volgens de samenstellers van de gisteren gepubliceerde 'Pestmap' voor het basisonderwijs nog maar een kleine greep uit het rijke pestgedrag van schoolkinderen onderling.

Uit de map, samengesteld door de preventie-afdelingen van de Haagse RIAGG's Zuidhage en Noordhage met medewerking van een aantal basisscholen, blijkt dat zeventig procent van 1.000 ondervraagde Haagse schoolkinderen vindt dat er eigenlijk niet zou moeten worden gepest. Maar gevraagd of ze dan zelf nooit eens pesten, antwoordt tachtig procent: “Soms.” Ook zij eten wel eens de boterhammen van hun klasgenootjes op of schoppen hun schooltassen door het lokaal.

Niet alleen “brildragertjes, beugelbekjes, langneuzen, sproetekoppies en stotteraars” worden daar de dupe van, volgens de map, bestemd voor leraren die 'pestproblemen' in hun klas willen verhelpen of voorkomen.

Eigenlijk loopt ieder kind het risico de 'zondebok' van een 'pestkop' te worden, zeker wanneer het in gedrag, uiterlijk, kleding of schoolprestaties afwijkt van de norm in een klas. Volgens een in de map geciteerd onderzoek wordt een op de twintig schoolkinderen gepest, volgens een ander onderzoek is die verhouding een op tien.

“Een psychisch ongezonde situatie” voor zowel pestkop als zondebok, aldus B. van der Meer, schrijver van onder meer 'De zondebok in de klas', gistermiddag bij de presentatie van de Pestmap in het Haagse stadhuis. De zondebok kan allerlei lichamelijke en psychische kwalen oplopen, de pestkop loopt het risico “zijn pestgedrag later in gezin, bedrijf en samenleving voort te zetten”. Een op de tien pestkoppen van het schoolplein komt voor zijn 21ste ten minste driemaal met de politie in aanraking, aldus cijfers uit de map.

Pestkoppen worden volgens Van der Meer vooral scholieren die van hun ouders weinig “echte aandacht” hebben gekregen of zelf thuis worden geslagen. Maar ook kinderen die niet tegen bepaalde smaak-, geur- en kleurstoffen kunnen en mogelijk ook scholieren die veel naar gewelddadige televisieprogramma's kijken hebben volgens hem een grote kans zich te ontwikkelen tot de schrik van het schoolplein. Kenmerkend voor de pestkop, aldus Van der Meer, is behalve fysieke kracht ook zijn gemiddeld zonnige zelfbeeld - in tegenstelling tot het sombere zelfbeeld van de zondebok - en een “positieve houding ten opzichte van geweld”.

De 47 pagina's tellende hardblauwe Pestmap geeft leraren allerlei praktische wenken om scholieren te helpen en om een “preventief anti-pestbeleid” te ontwikkelen. Zo zouden eigenlijk twee leraren moeten surveilleren op het schoolplein in plaats van een. Maar vooral moet de zwijgende meerderheid in de klas, die het pesten duldt of eraan meedoet uit vrees zelf de volgende zondebok te zijn, worden gemobiliseerd om het ontstaan van een 'pestcultuur' te voorkomen.

Daartoe dient bijvoorbeeld het in de map aanbevolen 'grote broer en grote zus-systeem', waarin oudere leerlingen nieuwkomers onder hun hoede nemen, maar ook lessen in sociale vaardigheden, klassegesprekken, leesoefeningen, poppekastvoorstellingen over pesten en het inrichten van een 'anti-pest-tentoonstelling'.

Niet alleen de sfeer in een klas kan zo worden verbeterd en schade aan zondebokken - op de studiedag ook wel “bok-kinderen” genoemd - voorkomen, maar wellicht kan ook de hoge uitval van 'moeilijke'

scholieren naar het speciaal onderwijs worden verminderd. Van de leerlingen in het speciaal onderwijs is volgens de map ruim veertig procent in het basisonderwijs stelselmatig en langdurig gepest. “Waar gepest wordt, wordt nu eenmaal niet geleerd”, hield schoolarts B.

Rensen de meer dan 120 bij de presentatie van de map aanwezige, merendeels vrouwelijke leraren en jeugdhulpverleners voor.

Scholen die met de 25 gulden kostende Pestmap aan de slag gaan, kunnen zich aanmelden voor een onderzoek van het Criminologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Leiden, dat het effect van het 'pest-preventiebeleid' wil meten en daarvoor subsidie heeft aangevraagd bij het rijk. “Bij pesten is weliswaar hooguit sprake van pre-crimineel gedrag”, aldus criminoloog L. Toornvliet gisteren, “maar je kunt er nooit vroeg genoeg bij zijn.”