Openbare beediging ministers gewenst

De door de zittende leden van de Staten-Generaal te zweren eed van trouw aan de nieuwe Koning - voorafgegaan door een plechtige verklaring uitgesproken door de voorzitter van de verenigde vergadering - heeft sacrale, maar geen juridische betekenis. Van de leden die afwezig zijn wordt niet alsnog de eed of de belofte gevraagd.

Een theoretische, maar toch wel merkwaardige vraag doet zich hierbij voor. Stel, dat meer dan de helft van de 225 leden der Staten-Generaal de eed (belofte) om wat voor reden dan ook niet aflegt; in normale gevallen zou men dan kunnen zeggen dat het quorum ontbreekt. Welke betekenis heeft de eed (belofte) van hen die wel in de verenigde vergadering de eed (belofte) afleggen?

Het is ook de vraag of de parlementaire eed van trouw aan de persoon van de nieuwe Koning ter gelegenheid van diens inhuldiging een bindende betekenis heeft voor elke Nederlandse staatsburger. Een eed van trouw aan een persoon, hoezeer ook historisch verklaarbaar, kan moeilijk als essentieel worden beschouwd.

De inhuldiging is een uitsluitend formele gebeurtenis; constitutioneel geeft in Nederland de regel “le roi est mort, vive le roi!” de doorslag omtrent het tijdstip van de aanvang in volle omvang van het bewind van de nieuwe Koning (zie ook E. van Raalte, Staatshoofd en ministers, pagina 30). Zo kon in 1840 de nog niet ingehuldigde koning Willem II in eigen persoon de nieuwe zitting der Staten-Generaal openen, hoewel zijn “plegtige” inhuldiging nog niet had plaatsgehad.

Het is dus op zijn minst twijfelachtig of de regering pas na de inhuldiging formeel gerechtigd is een beroep te doen op de medewerking van de Staten-Generaal, zoals de hoofdconservator van het Rijksmuseum Paleis Het Loo, drs. E. Elzenga op de opiniepagina van eergisteren meent.

Artikel 32 van de Grondwet spreekt over beediging en inhuldiging van de nieuwe Koning “zodra mogelijk”, een rekbaar begrip, waaruit wellicht kan worden afgeleid dat het achterwege blijven van deze plechtigheid niet uitgesloten is. Elzenga heeft gelijk als hij zegt dat de ministers tot de Koning in een geheel andere verhouding staan dan de leden van het parlement, maar het is de vraag of de ministers voor de daden van de persoon des Konings verantwoordelijk zijn als het openbaar belang bij voorbeeld krachtens artikel 41 van de Grondwet niet in het geding is.

Bij een troonswisseling ontstaat een nieuwe regering, terwijl het kabinet hetzelfde blijft. Interessant is de suggestie dat het kabinet bij overlijden of abdicatie van de Koning zijn ontslag zou moeten indienen om direct daarna door de nieuwe Koning te worden beedigd.

Koning en ministers vormen immers een eenheid, namelijk de regering, zoals de heer Elzenga terecht opmerkt. Openbare beediging van de Koning als hoofd van de regering ligt voor de hand - als deze plechtigheid ten minste door gaat; openbare beediging van de dienaren zou uit het oogpunt van de openbaarheid van bestuur wellicht kunnen worden toegejuicht, ware het niet dat er inderdaad theoretische vraagtekens bij kunnen worden geplaatst.

    • Mr. B.C.L. Waanders