Nederland moet leren dat oorlog sneuvelen betekent

De PvdA wil het risico van een 'oorlogje' met het Iraakse leger wel lopen. Groen Links wil 'desnoods vandaag nog' vliegtuigen en helikopters inzetten tegen Saddams gardisten die bezig zijn de Koerden uit te roeien. Het GPV levert het argument: “Waar het onrecht ten hemel schreit, mag de enorme nood wetten breken of beter wellicht nieuwe regels creeren” (NRC Handelsblad, 19 april). Het parlement juicht, kortom, unaniem het kabinetsbesluit toe om duizend militairen naar het noorden van Irak te sturen die moeten helpen de Koerden uit hun doodsnood te verlossen. Veel mariniers met groot verlof staan te trappelen van ongeduld om ook mee te mogen. “Nederland had gemakkelijk meer dan vierhonderd mariniers kunnen leveren”, aldus de commandant van het korps mariniers, generaal W. van Breukelen (de Volkskrant, 22 april).

Als Nederland wordt overspoeld door zo'n golf van eensgezinde krijgshaftigheid, moeten we het ergste vrezen. Want de bereidheid te helpen is een ding, de bereidheid te vechten is iets anders en de bereidheid te sneuvelen is weer heel iets anders. Mijn vrees voor een boemerangeffect berust op de twijfel aan de fysieke opofferingsgezindheid. Hoe zal de publieke opinie, die deze bekering tot het geweld blijkbaar heeft bewerkstelligd, reageren als de eerste, in zak of kist verpakte, militairen op Soesterberg uit het vliegtuig worden geladen? Het lijkt erop dat de eensgezinde krijgshaftigheid voortkomt uit een, begrijpelijke, emotionele opwelling en niet uit een consensus over het welbegrepen nationale eigenbelang of uit een alom gedeelde erkenning van het oude adagium 'si vis pacem, para bellum'.

Daarom is het niet uitgesloten dat dan de publieke opinie even eensgezind en even krachtig het bekende 'Nie Wieder!' zal laten horen.

Libanon

Een blik op de Nederlandse staat van dienst op het gebied van militaire vredesactiviteiten in de wereld is voldoende voor enige scepsis. Meestal waren er andere redenen dan de zaak zelf of het nationale belang in het geding. Om met het Midden-Oosten te beginnen, het besluit van het kabinet-Van Agt in 1979 om een pantserinfanteriebataljon ter beschikking te stellen voor de VN-vredesmacht Unifil ging niet van harte. Ongerust was men in Nederland zeker over de Israelische invasie in Libanon die de 'boosaardige arm' van de PLO moest afhakken. Maar inwilligen van het verzoek van de Verenigde Naties om deel te nemen aan een vredesmacht?

Dat gebeurde pas na veel wikken en weken, toen heette het ook ineens een “plicht jegens de internationale gemeenschap”. Maar terwijl zich vrijwilligers genoeg meldden, protesteerde de meerderheid van de dienstplichtigen tegen uitzending, en hun ouders al evenzeer. In de Kamer stond vervolgens niet Libanon, Israel, de wereldvrede of het Nederlandse belang centraal, maar de Dienstplichtwet. Op de gezichten van de 740 blauwhelmen die op 10 maart '79 met een paar Boeings naar Beiroet vertrokken stond meer angst dan krijgshaftigheid te lezen.

Van enig enthousiasme voor de uitzending van de honderd beroepsmilitairen die in 1982 deel uitmaakten van de multinationale vredesmacht in de Sinai om de grens met Egypte te bewaken nadat Israel zich daar had teruggetrokken, was evenmin sprake. Van politieke opwinding ook niet: in feite ging het meer om landwachters in de leegte dan om soldaten in het strijdgewoel. Van 'plicht jegens de internationale gemeenschap' was al helemaal geen sprake. De toenmalige staatssecretaris van defensie, Van Houwelingen, gaf ronduit toe dat de uitzending vooral bedoeld was om Washington bij voorbaat te apaiseren als het kabinet er niet in zou slagen de plaatsing van kruisraketten door te zetten. Politiek misschien geen slechte zet, en zelfs in termen van 'landsbelang' te verdedigen, maar dat 'de publieke opinie'

daardoor vertrouwd werd gemaakt met het 'si vis pacem, para bellum' - niet bepaald.

Alleen bij het sturen van de internationale vredesmacht naar Korea, in 1950, lag de zaak tamelijk duidelijk: het was een kruistocht tegen het communisme. Bij de 1.664 vrijwilligers die zich binnen een week meldden, een verrassend groot aantal, speelden evenwel meer motieven dan alleen 'plicht' een rol: slechte toekomstverwachtingen in eigen land en frustratie over de nederlaag tegen de nazi's en tegen de vrijheidsstrijders in Indie. Het vrijwilligerskorps bestond voor een groot deel uit avonturiers, rauwdouwers en ex-Knil-militairen die er nog niet genoeg van hadden.

Het werd bij aankomst in Pusan het 'Van Heutszbataljon' gedoopt. Een revanche zat er evenwel niet in. “Korea is bitter tegengevallen”, schreef commandant Den Ouden op 15 januari 1951, zeven weken voor hij sneuvelde. “Niet de vijand, doch het klimaat en de te verduren ontberingen werken slopend en uitputtend”.

De slachtpartij in Korea (2,3 miljoen slachtoffers, van wie 107 Nederlanders) dempte elk enthousiasme voor herhaling van een dergelijke VN-actie. Zeker na 1962, toen Nederland zelf door de VN gedwongen werd om ook Westelijk Nieuw-Guinea, de 'troostprijs' voor het verlies van Indie, op te geven, en moest toezien hoe 1.500 Pakistaanse blauwhelmen het VN-overgangsbewind kwamen bijstaan.

Afgezien van de NAVO-verplichtingen beperkte Nederland zich wat betreft de vrede en veiligheid buiten het verdragsgebied bijna twee decennia lang tot de ontwikkelingshulp. Het werd de Nederlandse totempaal die alle kwalen in de wereld moest bezweren.

AlbanieHet huidige enthousiasme lijkt nog het meest op de opwelling van dadendrang in 1913 die uitmondde in de uitzending van enige legerofficieren naar Albanie. Dat landje was onder prins Wilhelm von Wied, verwant aan het Oranjehuis, tot vorstendom verheven, en hij had de grote mogendheden verzocht te helpen bij het op poten zetten van een gendarmerie die de rust zou kunnen verzekeren.

In Nederland beleefden op dat moment de beide pacifistische stromingen, de passieve en de activistische, hun hoogtepunt. Volgens de passieve pacifisten zou het in dat jaar geopende Vredespaleis in Den Haag tot 'vredeslaboratorium' van de wereld worden. Volgens de activisten, zoals de Leidse jurist Van Vollenhoven, waren de “welgemeende jammerklachten van Haagsche deftigheden” die uit dit laboratorium te horen waren niet voldoende om de wereldvrede af te dwingen. Nederland diende een actievere rol te spelen. Dat was een kwestie van eer - Nederland was te goed “om bloemen te schikken en thee te zetten” op de vredesconferenties - en van nationaal belang - handel en veiligheid. Aangezien dit nationale belang in het niet viel bij de belangen van de grote mogendheden kon Nederland als 'belangeloos' gelden en was het uitstekend geschikt om leiding te geven aan een internationale vredesmacht.

Zo vertrokken de legerofficieren naar Albanie voor het verrichten van het noodzakelijke 'beschavingswerk', zoals hun voorman, de Haagse overste Thomson (oud-Kamerlid) de missie betitelde. Juist hij liet er, op 15 juni 1914, het leven bij. Nederland was diep geschokt door deze noodlottige heldendaad. Thomsons lichaam werd per trein door het hele land gevoerd, legerofficieren brachten hem vanaf het perron een eresaluut. Dit avontuur in het Albanese wespennest werkte zeer ontnuchterend. Nederland trok zich weer gekwetst en verontwaardigd terug uit de boze wereld. Met de wereldoorlog die daarop uitbrak, wilde het niets te maken hebben. “Ons zelfgevoel”, schreef historicus Colenbrander naderhand, “zeide ons, dat wij te goed waren andermans eerzucht te mesten met ons bloed”.

Na deze oorlog waren de meeste Nederlanders nauwelijks bereid uit het veilige en lucratieve 'fools paradise' te voorschijn te kruipen om lid te worden van de Volkenbond, waarvoor sommigen van hen zo lang het vuur uit de sloffen hadden gelopen. Nederland werd met frisse tegenzin lid. Het kabinet-Ruys de Beerenbrouck had er meteen spijt van, want al snel kwam het verzoek troepen te leveren voor het contingent dat in het Litouwse gebied rond Wilna (het huidige Vilnius) de rust en orde zou moeten handhaven tijdens het aldaar te houden plebisciet. Er dreigde een bloedige botsing tussen Litouwers en legers van de Sovjet-Unie en Polen, die beide dit gebied opeisten. In Den Haag, waar men de actie van 1913 nu als 'roekeloos' betitelde, schreef minister van buitenlandse zaken Van Karnebeek aan Ruys “dat deze vrijwilligers vermoedelijk aan allerlei ellendige en onaangenaamheden bloot zullen staan in gindsche ontredderde streken, en dat men later niet in gebreke zal blijven de schuld aan de regering te geven. Het is echter moeilijk en misschien minder verstandig om aan een eerste beroep van de Volkenbond geen gehoor te geven”. Het kabinet slaakte een zucht van verlichting toen de Raad van de Volkenbond er alsnog van afzag een volksstemming te houden.

We weten hoe het verder ging: Nederland metselde zichzelf in tot de “lichttoren in een duistere wereld”, zoals premier De Geer in 1939 ons land noemde. Die verdedigingswal van afzijdigheid en internationaal recht was toen verstandiger dan velen sinds de oorlog menen. Toen waren er geen serieuze bondgenoten in zicht die meer veiligheid dan gevaar zouden bieden, en een effectieve sociale verdediging was een illusie. Nu zou een dergelijke reactie fataal kunnen uitpakken, te meer daar die bondgenoten er nu wel zijn: binnen de NAVO, de EG, de WEU, desnoods de CVSE. Toen lag de dreiging vlak over de grens, nu niet, dat is waar. De bedreigingen zijn er nu niet minder groot om. Afgezien van de mogelijkheid van burgeroorlogen op de Balkan en in Midden- en Oost-Europa, die tot ontwrichtende volksverhuizingen kunnen leiden, wordt Nederland ook direct bedreigd door mogelijke milieurampen, of deze nu door slordigheid en onkunde worden veroorzaakt, of met opzet, zoals 'eco-terrorisme', waarvan Saddam Hussein ons ook al een voorproefje heeft gegeven.

Hoe dus te voorkomen dat de huidige eensgezinde krijgshaftigheid bij de eerste de beste tegenslag zal omslaan in verwarring, onderlinge strijd over de schuldvraag en aansluitend verlammende afzijdigheid?

Dat kan alleen als er eindelijk eens een soort 'brede maatschappelijke discussie' over macht, geweld en nationaal belang komt. Het nationale belang van Nederland bestaat misschien niet omdat dit te veel samenhangt met het persoonlijke belang en de persoonlijke voorkeur en analyse. De een hecht nu eenmaal meer aan veiligheid, de ander aan een gezonde economie, de derde aan de internationale rechtsorde en de vierde aan de mensenrechten. Het streven van zo'n debat zou er daarom op moeten zijn gericht dit besef te laten doordringen: dat ook voor het behoud van elk van deze waarden afzonderlijk er een tijd is van vrede en een tijd van oorlog, en dat er in oorlog nu eenmaal gesneuveld wordt.