Morele opvoeding; Zuurdesem voor de school

Minister Ritzen wil meer aandacht voor waarden en normen in het onderwijs. Lea Dasberg vraagt zich af wat de minister bedoelt.

Oktober vorig jaar werd bekend dat er een leerstoel voor het christelijk onderwijs komt. Volgens de besturenraad voor het protestants-christelijk onderwijs, de initiatiefnemer, weten veel scholen niet meer hoe zij de 'C' in hun naam moeten waarmaken. Oude opvoedkundige idealen staan ter discussie, nieuwe zijn nog niet gevonden. De hoogleraar gaat zich bezighouden met ''de verdieping van de eigenheid van het christelijk onderwijs''.

Nog geen maand later pleitte minister Ritzen op een PvdA-congres voor meer scholen die ''hun opvoedende rol ter harte nemen''. Hij vond het vreemd dat ''in een tijd waarin de kracht van normen en waarden van het gezin afneemt'', nauwelijks wordt gesproken over de opvoedende taak van leraren.

Lea Dasberg had dan ook niet helemaal gelijk toen zij het vorige week 'pikant' noemde dat de opgelaaide belangstelling voor opvoedkundige idealen niet uit christelijke maar uit sociaal-democratische hoek komt. Zowel het christelijk als het niet-christelijk onderwijs hebben te maken met krassen in gloednieuw meubilair en koffiebekertjes die op de grond in plaats van in de prullebak terecht komen. Dasberg, emeritus-hoogleraar historische opvoedkunde en auteur van het pedagogisch standaardwerk 'Grootbrengen door kleinhouden', thans woonachtig in Jeruzalem maar voor de gelegenheid overgekomen, hield vorige week op de Utrechtse Hogeschool Midden Nederland een rede onder de titel 'De pedagogische taak van de school: opvoeden waartoe?'.

Volgens Dasberg vertroebelen voorbeelden als dat van de koffiebekertjes de hernieuwde discussie over waarden en normen in het onderwijs. ''De minister lijkt meer te doelen op gedragsverbetering van leerlingen, op socialisatie, dan op een fundamenteel pedagogische taak van de school in de zin van morele opvoeding.'' Zij pleit voor morele opvoeding: bij socialisatie wordt leerlingen niet geleerd zelf morele keuzes te doen.

De vraag is natuurlijk hoe morele opvoeding op school er uit ziet. Volgens Dasberg moet het in ieder geval geen nieuw vak worden. Nieuwe vakken - het voorbeeld van maatschappijleer ligt voor de hand - horen al snel bij de spijbelvakken, vakken die het rooster overbelasten of uren afnemen van andere vakken.

Nee, zoals de besturenraad voor het protestants-christelijk onderwijs een verdieping van het hele onderwijs wil, zo vindt Dasberg dat morele opvoeding op school ''het zuurdesem voor het hele beslag hoort te zijn''. Geschiedenis, aardrijkskunde, economie, natuurkunde, scheikunde: elk vak zou leerlingen moeten confronteren met ''maatschappelijke problemen en de oplossingen die de democratie daarvoor aandraagt''.

Geschiedenisonderwijs bijvoorbeeld zou niet chronologisch maar thematisch moeten zijn. ''In een tijd waarin het probleem van het terrorisme gesprek van de dag is, is het verspilling niet op die interesse in te spelen.''

Bij traditionele onderwerpen zouden leerlingen zich kunnen buigen over vragen als ''Wat zou jij hebben gedaan als je Lincoln was geweest?''

of ''Wat had het volgens jou voor de rassenverhoudingen in de VS uitgemaakt als slavernij nooit had bestaan?''.

Ook het talenonderwijs zou volgens Dasberg kunnen bijdragen aan de morele opvoeding van leerlingen: ''Geen leerboek maakt zo onvergetelijk duidelijk hoe mes-dun de scheidslijn tussen demagogie en democratie kan zijn als de forum-scene in Shakespeare's Julius Caesar.

En geen journaal over de Golfoorlog weet het probleem oorlog zo in te prenten als Tolstoi's beschrijving van de gewonde prins Andrej in Oorlog en Vrede.''

Voor leraren betekenen de opvattingen van Dasberg dat zij het nakijken van proefwerken niet langer wekenlang mogen uitstellen en dat ze hun lessen altijd goed moeten voorbereiden. Alleen dan hebben leraren moreel gezag. Dasberg noemt de Barlaeus-affaire ''een rampzalig voorbeeld van falende opvoeders''. ''Vergeleken bij zo'n verkrachting van het pedagogisch bedrijf vallen alle winkeldiefstallen en spijbeldagen volledig in het niet.''

Ook minister Ritzen had het op het PvdA-congres over leraren ''met een hoog moreel niveau''. Maar de belangrijkste aanbeveling van Dasberg had hij toen al verworpen. Volgens Dasberg is het onverantwoordelijke gedrag van veel leerlingen terug te voeren op 'de infantilisering van de school': ''Twaalf jaar lang wordt daar exclusief theoretisch gevormd, zonder enige praktische toepassing van het geleerde. Er wordt voor leerlingen gezorgd en er wordt gesuggereerd dat het zo hoort en dat er van hen niets geeist hoeft te worden. De verplichtingen liggen bij anderen en de rechten bij hen.''

Dasberg stelt voor het leren op school af te wisselen met praktische arbeid. Werken ''haalt leerlingen uit hun beschermde cocon en vervangt hun afstandelijkheid door een gevoel van behoren tot''. Toen de commissie-Rauwenhoff vorig jaar met hetzelfde voorstel kwam, besloot het kabinet de combinatie van werken en leren maar in een klein deel van het onderwijs mogelijk te maken.