Inteelt bedreigt wilde planten; Ook onkruid vergaat

Hier en daar in het land staan nog kleine groepjes van plantesoorten, die vroeger algemener waren. Die kleine groepjes verliezen de concurrentie met andere planten door inteelt.

De soort bestaat nog wel, maar zonder toekomst.

Op het Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren staan de kassen vol met onkruid. Potjes met Veldsalie, zover het oog reikt, pas gezaaid zo te zien en vaak al aardig overwoekerd met gras. Bioloog Joop Ouborg monstert de rijen met veldheersblik. ''Dat veldsaliezaad hebben we op allerlei plaatsen in het wild verzameld en het gras hebben we er zelf bij geplant'', zegt hij. ''Zestigduizend sprietjes, met een pincetje. Nul, acht of zestien grasjes per salieplant.''

De vraag is nu welke planten deze concurrentieslag met het gras gaan winnen. Verrassend genoeg blijkt dat er helemaal van af te hangen waar het saliezaad vandaan komt. Zaden die geoogst zijn in een grote, gezonde populatie doen het op alle fronten stukken beter dan andere zaden, die in de kas precies dezelfde behandeling krijgen, maar geplukt werden in een hoekje waar nog een handvol wilde veldsalieplanten op uitsterven staat. Die zien er misschien nog prima uit en kunnen wel twintig jaar oud worden, maar het zaad uit zo'n kleine, geisoleerde populatie is zwak. Als er in de wijde omtrek geen soortgenoten meer te vinden zijn om kruisbestuiving mee te plegen en voor 'vers bloed' te zorgen, slaat vroeg of laat de inteelt toe. Dat geldt voor zeer besloten, hechte dorpsgemeenschappen, voor wilde dieren als otter en zeehond en blijkt nu ook bij wilde planten in het versnipperde landschap op te gaan.

Joop Ouborg werkt sinds 1987 in Heteren aan een promotieonderzoek. Na veel wikken en wegen koos hij de Veldsalie (Salvia pratensis) als modelplant, een wilde verwant van de eenjarige rode Salviaatjes uit het bloemperk. Deze soort, die in ons land beschermd is, hoort van van nature thuis op kalkrijke hellingen in Zuid-Limburg en op duintjes en dijken in het rivierengebied.

''Op grond van onze resultaten valt te voorspellen dat een groot deel van de Nederlandse flora problemen heeft of krijgt op dit gebied'', zegt de onderzoeker. ''Je ziet het er niet meteen vanaf, maar vooral in concurrentieproeven met grassen, in de kas of op een proefveldje, blijkt het overduidelijk.''

De kiemplantjes groeien niet hard genoeg, ze leggen het af tegen de grassen en leveren zelf op den duur ook weinig, slecht zaad. Ook op het proefveld, waar drie jaar geleden veldsalieplantjes tussen het gras zijn geplant, blijkt hoe gevoelig de veldsalie voor inteelt is.

Datzelfde blijkt als men nauwverwante planten kruist om ze met opzet in te telen. Veel zaden aborteren dan en de rest is van bedroevend slechte kwaliteit.

NIET KLEVERIG

Veldsaliezaden hebben geen speciaal verspreidingsmechanisme. Ze zijn niet extra kleverig en haken dus niet zomaar in de vacht van dieren, er zitten geen speciale pluisjes aan die verspreiding door de wind vergemakkelijken, ze vallen zomaar op de grond. Ook de hommels, die voor bestuiving zorgen, leggen maar kleine afstanden af. ''Die vliegen een paar honderd meter, een kilometer hooguit'', zegt Joop Ouborg.

''In ons onderzoek hadden we twee populaties aan weerszijden van een rivierdijk, op tweehonderd meter van elkaar. Als je bij de ene stond kon je de andere zien liggen. Maar bij nader inzien bleek tussen beide populaties geen enkele vorm van kruisbestuiving op te treden. Hommels vliegen kennelijk niet over zo'n dijk.''

Dat alles maakt deze soort - en vermoedelijk vele andere - in het versnipperde landschap, waar natuurgebiedjes steeds kleiner worden, kwetsbaar voor inteelt. Daardoor wordt de ondergang van bedreigde soorten versneld. Ze sterven sneller uit dan men alleen op grond van het verlies van leefgebied zou vermoeden en de gelederen worden niet meer aangevuld. Bovendien komen deze planten in de evolutie om zo te zeggen 'op dood spoor te staan', want de erfelijke variatie die nodig is om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden ontbreekt.

Niet te zeldzaam

In het Natuurbeleidsplan wordt gepleit voor groene linten in het landschap, waarlangs wilde dieren en planten zichzelf dwars door cultuurland van het ene natuurgebiedje naar het andere kunnen verplaatsen. Om dit idee te onderbouwen werd het Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren ingeschakeld.

De keuze van de juiste planten zorgde voor veel hoofdbrekens. Zeldzaam, maar niet te zeldzaam, was het devies. Allerlei interessante orchideeen en ook plantjes als Wolverlei, Heelkruid en Driedistel vielen bij nader inzien af omdat ze al te zeldzaam waren, de Beemdkroon daarentegen was toch niet zeldzaam genoeg. De Zwarte Rapunzel was precies zeldzaam genoeg, maar bleek al geclaimd door andere veldbiologen. De Grote Pimpernel bleek allerlei lastige stoffen te bevatten die de benodigde laboratoriumproeven keer op keer deden mislukken, de Slanke Sleutelbloem bleek te onhandig omdat de zaden pas na drie maanden kiemen. Over bleven de eerder genoemde Veldsalie en Duifkruid (Scabiosa columbaria), een overblijvende soort van rivierduintjes en -dijken en de kalkgraslanden van Zuid-Limburg.

Daarvan waren voldoende kleine en grote populaties voorhanden.

ENZYMPATROON

Om een eerste indruk van eventuele genetische verarming te krijgen werd in elke populatie het enzympatroon van afzonderlijke planten bestudeerd. Hoe meer enzymvarianten, hoe meer erfelijke verscheidenheid. Rob van Treuren, promovendus bij de vakgroep Genetica van de Rijksuniversiteit Groningen, die aan het project meewerkt, was daar maanden zoet mee. Versgeoogste bladpuntjes, bijvoorbeeld uit Zuid-Limburg, werden in plastic zakjes met water in de koelbox gedaan en dan vliegensvlug naar Groningen gebracht om ze in te vriezen, want enzymen zijn instabiel.

Twee van de dertien onderzochte enzymen bleken in alle planten precies hetzelfde te zijn, voor de andere bleek binnen de populaties variatie te bestaan, wat meer naarmate de populatie groter was.

Daarna volgde een uitgebreide reeks kasproeven. Erfelijkheidsonderzoek in het veld is nu eenmaal erg lastig, want een plant die er florissant bij staat heeft misschien gewoon een goed plekje getroffen. Daarom werd per plant een partijtje zaad geoogst en uitgezaaid in de kas - steeds onder precies dezelfde omstandigheden. Er werd van alles en nog wat aan de plantjes in de kas gemeten en gewogen, tot op de millimeter nauwkeurig: lengte en breedte van de cotylen (zaadlobben), bladlengte en -breedte, aantallen bloemen en zaden enzovoorts. Hieruit kwamen aanwijzingen voor genetische verarming van kleine populaties, maar de verschillen waren niet dramatisch.

''Dramatisch wordt het pas als je de planten gaat pesten door ze met gras te laten concurreren'', zegt de promovendus. ''Voor de praktijk is dat van groot belang. Nu de luchtvervuiling in natuurgebieden gemiddeld voor 30 tot 40 kilo ongevraagde stikstofbemesting per hectare zorgt, neemt de vergrassing daar sterk toe. Wilde kruiden moeten steeds feller met gras concurreren.''

Toch zijn er ook lichtpuntjes voor kleine populaties. Sommige ziekten en plagen blijken daar niet meer voor te komen. Zo bestaat er in het wild een galwespje dat alleen maar van Veldsalie leeft en tot 80 procent van de zaden in gallen kan veranderen. In kleine veldsaliepopulaties wordt het millimetergrote parasietje, dat beslist niet ver kan vliegen, nooit aangetroffen. Blijkbaar sterft het plaagbeest in dit geval eerder uit dan het slachtoffer.

BOTANISCH BASISREGISTER

En hoe staat het met andere wilde planten? Om die vraag te beantwoorden wordt nu het Botanisch Basisregister van het Centraal Bureau voor de Statistiek doorgeplozen. Vooral voor soorten van het veen- en heidelandschap (dat in de loop der jaren sterk versnipperd is geraakt) blijkt dat een snelle achteruitgang en het ontbreken van een goed verspreidingsmechanisme voor de zaden vaak hand in hand gaan.

''De enige reele oplossing is het doorbreken van de genetische verarming door zaden te verspreiden'', denkt Ouborg. ''Maar dat is echt taboe in het natuurbeheer, dan ben je immers bezig met tuinieren.''

Niet bekend

    • Marion de Boo