'Ik wil mensen prikkelen een baan te accepteren'

DEN HAAG, 25 APRIL. “Ik betreur het buitengewoon dat brieven van ministers die bedoeld zijn voor interne discussie na drie dagen al op straat liggen. Daarmee veroorzaak je onrust waardoor mensen denken: dit is veel geschreeuw maar weinig wol. Zo moeten we dit land niet besturen.”

CDA-minister Bert de Vries van sociale zaken en werkgelegenheid keerde gisteren terug uit Praag, waar hij een conferentie over migratie tussen Oost- en West-Europa bijwoonde. Op Schiphol las hij met verbazing de kranten. In een brief aan het kabinet had hij vrijdag gesuggereerd de uitkeringen en het bruto minimumloon geleidelijk te verlagen, waarbij de koopkracht voor de werkenden via lastenverlichting op peil moest blijven. Het verhaal werd gisteren breed in de pers uitgemeten.

Diezelfde dag klapte zijn CDA-collega Andriessen van economische zaken uit de school met een vraaggesprek in Trouw waarin hij pleitte voor een nog forsere verlaging van het minimumloon, desnoods tot onder het niveau van een bijstandsuitkering. Andriessen had zijn suggesties eveneens in een brief aan het kabinet verwoord.

De Vries ziet helemaal niets in Andriessens plan. Hij zegt: “Als je het minimumloon verlaagt en de uitkeringen laat voor wat ze zijn, gaat iemand met een uitkering die een baan aanvaardt er financieel op achteruit. Veel mensen vragen zich nu al af: levert werken nog wel wat op?”

Andriessen zegt hierover in het vraaggesprek: “Dat mag de afweging niet zijn. De afweging behoort te zijn: er is een baan voor u en daarmee heeft u de keus: of die baan of helemaal niets.” De Vries reageert kortaf: “Daarvoor is een geweldige aanscherping van de controle en de sancties nodig. Zoiets is eenvoudig onhaalbaar.”

Andriessen wil met een lager minimumloon meer ongeschoolden - hij noemt met name allochtonen, zoals asielzoekers - aan geschikt dus eenvoudig werk helpen (“Bollenpellen en zo.”). De Vries: “Mijn doel is tegengesteld aan dat van Andriessen. Ik wil mensen prikkelen om een baan te aanvaarden, vooral in het midden- en kleinbedrijf.”

Terwijl De Vries het met Andriessen eens is dat het bruto minimumloon best omlaag kan, vindt hij dus dat de uitkeringen mee naar beneden moeten. Dat is niet alleen goed voor de verhouding tussen lonen en uitkeringen, maar heeft ook belangrijke begrotingsvoordelen. De Vries: “In zijn kaderbrief heeft minister Kok van financien voorgesteld volgend jaar de prijscompensatie voor de departementen af te schaffen.

Binnen het kabinet is tegen zo'n kaasschaafoperatie verzet gerezen. Je moet dan met alternatieven komen. Welnu, ik pakte die handschoen op!''

Volgens beide CDA-ministers is een verlaging van het minimumloon nu urgent, want het thema werkloosheid staat weer hoog op de politieke agenda. De Vries: “De perspectieven voor de economische groei zijn slechter geworden en de groei van het aantal banen zwakt af.”

Zoals voor zoveel Haagse politici is het recente rapport 'Een wenkend perspectief' - waarin de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) pleit voor een grotere arbeidsdeelname van vrouwen en oudere mannen - ook voor de bewindsman van sociale zaken uitgegroeid tot leidraad. De Vries: “De WRR liet zien dat een groot deel van het arbeidsaanbod bestaat uit mensen met een lage scholing, een lage produktiviteit. Die krijgen alleen werk als het bruto minimumloon langzamer stijgt dan het algemene loonpeil.”

De WRR gaat daarbij heel ver: hij wil het minimumloon geleidelijk met 30 procent verlagen zodat het niet langer gelijk is aan het 'sociale minimum' dat gebaseerd is op het kostwinnersbegrip, maar toegespitst is op de behoeften van een alleenstaande. Individualisering heet dat.

Een eventuele niet-werkende partner zou in de WRR-optie recht hebben op een partner-toeslag. Zover gaat De Vries echter niet. Op een punt is hij al duidelijk: “Een toeslag van de sociale dienst bovenop het loon wijs ik af, we moeten niet in de richting van een toeslagenmaatschappij.”

Concreet wil De Vries het bruto minimumloon volgend jaar met een procent verlagen, zij het niet nominaal maar ten opzichte van het algemene loonpeil. Anders dan Andriessen wil hij echter de koopkracht van werkenden met een minimumloon op peil houden. Dat kan wat hem betreft door het tarief van de eerste schijf in de loon- en inkomstenbelasting met een half procent te verlagen. Wat de financiering van die lastenverlichting betreft, denkt hij aan afschaffing van het reiskostenforfait. Ook zouden de tarieven van de loon- en inkomenstenbelasting niet langer voor inflatie moeten worden gecompenseerd, althans voor inkomens vanaf 50.000 gulden. Dat laatste werd bij de bespreking over de Tussenbelans al door de PVDA bepleit maar toen nog door het CDA afgewezen.

De meeste nadruk legt de minister echter op een verhoging van het arbeidskostenforfait, een fiscale aftrekpost voor mensen met een baan, van 4 naar 5 procent. Het geld daarvoor moet worden gevonden door bedrijven meer belasting te laten betalen, via een verbreding van de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting.

De Vries: “Loonkostenmatiging is heel belangrijk voor het scheppen van werk. Ik heb gezocht naar een formule, een minder orthodoxe oplossing, om de lonen te matigen en de koopkracht te handhaven. Die moet bespreekbaar zijn voor iedereen. De eerste indicaties zijn positief, zoals het interview met PvdA-voorzitter Sint in uw krant laat zien.”

Wat betreft het netto minimumloon zitten De Vries en zijn PvdA-staatssecretaris Ter Veld op een lijn: dat mag niet worden verlaagd. Ter Veld licht haar standpunt desgevraagd toe: “Niet het minimumloon is een probleem, maar de opleidingseisen. In sectoren als kinderopvang en gezinsverzorging bijvoorbeeld worden hoge eisen gesteld ten aanzien van de opleiding. Daar staat een bescheiden loon tegenover, dus is het moeilijk om mensen voor die banen te vinden.

Maar het probleem ligt dan bij de opleiding, niet bij de hoogte van het minimumloon.” Overigens noemde PvdA-fractievoorzitter Woltgens eind vorige week een verlaging van het netto minimumloon nog “best bespreekbaar, mits duidelijk is dat beneden dat huidige minimum nog veel te halen is”.

Op het eerste gezicht lijkt de verlaging van het bruto minimumloon die De Vries nu voorstelt niet bijster radicaal. Echter, de verlaging met een procent moet volgens hem niet alleen in 1992 maar ook in de daarop volgende jaren worden toegepast. Het cumulatieve effect wordt dan veel groter. Welke gunstige gevolgen verwacht hij van zijn plan voor de werkgelegenheid?

De Vries: “In de jaren tachtig is het bruto minimumloon ten opzichte van het algemene loonpeil al met 15 procent gedaald. Voorstellen voor een verdere verlaging haalden het niet, omdat men vond dat het netto minimumloon niet verder mocht achterblijven. Om toch de loonkosten te matigen zijn toen via de Wet Loonkostensubsidie op Minimumloonniveau (WLOM) de werkgeverspremies verlaagd, waardoor de bruto minimumloonkosten opnieuw met 10 procent of ruim 3.000 gulden per jaar daalden. Hoe werkt dat nu uit op de banen aan de onderkant van het loongebouw? Helaas bleef tot dusver het beroep op de WLOM achter bij de verwachtingen.

“Nu zou daar een cumulatieve verlaging van het bruto minimumloon van een procent bovenop komen, samen met de andere maatregelen. Ik heb het Centraal Planbureau gevraagd om een berekening van het effect op de werkgelegenheid, maar die is nog niet binnen. Voorlopige indicaties wijzen echter uit dat een matiging van het bruto minimumloon met een procent tien- tot vijftienduizend arbeidsplaatsen oplevert. Dat betekent dus in de resterende drie jaar van deze kabinetsperiode vijftigduizend extra banen.”

Dan veronderstelt De Vries waarschijnlijk wel dat de verlaging van het bruto minimumloon doorwerkt in de overige lonen, zodat loonmatiging optreedt? Bovendien duurt het volgens wetenschappelijk onderzoek zeker een paar jaar voordat die effecten zijn gerealiseerd.

De Vries: “Van dat doorzak-effect hangt inderdaad veel af. En daar hebben we tot nu toe weinig van gemerkt.”

De laagste lonen die werkgevers betalen liggen vaak boven het minimum-loon, zodat een verlaging hiervan in zekere zin irrelevant is.

Blijft het werkgelegenheidseffect al met al niet vrij bescheiden?

De Vries: “Ik verwacht minstens zoveel van de groeiende bereidheid om werk te aanvaarden. Dat is gelet op het grote aantal vacatures ook bitter noodzakelijk. Een hoger arbeidskostenforfait zou ervoor zorgen dat het feitelijke inkomensverschil tussen werkenden en niet-werkenden groter wordt. Het netto minimumloon zal dan immers sneller stijgen dan de uitkeringen. En ook de minimum CAO-schalen zullen in dat geval sneller stijgen dan de uitkeringen (zoals het geval was in de jaren tachtig, red.).

“Wij krijgen nu nogal eens signalen van gemeenten dat de bereidheid van mensen om via de nieuwe banenpools tegen het netto minimumloon werk te aanvaarden, te wensen over laat. Vooral kostwinners zijn moeilijk te motiveren, omdat hun bijstandsuitkering nu even hoog is.

Ik wil de mensen stimuleren om uit zichzelf een baan te zoeken.''

Als het minimumloon jaar in jaar uit met een procent wordt verlaagd en de koopkracht van de minimumloners moet worden gehandhaafd, moet dan ook de belastingdruk niet jaar in jaar uit worden verlaagd?

De Vries: “Dat zou je inderdaad moeten proberen. Ik heb in ieder geval voor het eerste jaar een voorzet gegeven. Voor de jaren daarna is ook het rapport-Stevens over de belastinghervorming van belang.”

Over de reacties binnen het kabinet op zijn ideeen laat De Vries zich liever niet uit. Maar na enig aandringen zegt hij: “Er is in heel brede kring waardering voor deze poging tot een samenhangend pakket van instrumenten.”

Behalve CDA-minister Andriessen trad ook CDA-fractievoorzitter Brinkman de afgelopen dagen naar buiten met radicale uitspraken, dit keer over de WAO en de Ziektewet. Maar de gedachte dat CDA-voormannen op deze wijze trachten de PvdA murw te maken, is CDA-minister De Vries vreemd. Hij reageert terughoudend: “Zo is de sfeer binnen het kabinet niet.”

    • Kees Calje