Hongaarse onderminister over grenzen van samenwerking in Oost-Europa: 'We kunnen toch niet op Albanie wachten?'

DEN HAAG, 25 APRIL. Hongarije, zegt Tamas Katona, onderminister van buitenlandse zaken, is maar klein en moet bescheiden zijn. “Maar in zijn buitenlands beleid heeft het, hoe klein ook, successen geboekt: het Warschaupact is weg, en het was Hongarije dat daartoe het initiatief nam, we zeiden: niet wij moeten het pact verlaten, maar het pact moet ons verlaten, en we hebben de anderen overtuigd, zelfs de Russen.” Wij waren het ook, zegt Katona, die in 1989 de stoot gaven tot de bevrijding van Oost-Europa, “wij openden de grenzen, en dat bracht eerst kameraad Honecker ten val, en daarna kameraad Jakes. En de Pools-Tsjechoslowaaks-Hongaarse top in Visegrad, dat was ons idee”.

Het zijn successen. En toch, sinds het aantreden van de centrum-rechtse regering van premier Jozsef Antall een jaar geleden is voor de Hongaarse diplomatie niet alles van een leien dakje gegaan. Al kort na dat aantreden riep minister van buitenlandse zaken Geza Jeszenszky op een onbewaakt ogenblik dat de goede, echte Hongaren alleen binnen de aanhang van de drie regeringspartijen te vinden waren; dat was voor de oppositie reden om beledigd uit het parlement weg te lopen. Kort daarop joeg Antall de buurlanden de gordijnen in door zichzelf te bestempelen als de premier van alle Hongaren, dus ook van de Hongaarse minderheden over de diverse grenzen. Dit jaar moesten de Hongaren met enig schaamrood op de kaken toegeven de Kroatische politie, die volgens de federale regering in Belgrado illegaal is, wapens te hebben geleverd. Er zijn de rellen rondom de ambassadeurs geweest, de Hongaarse ambassadeur in Washington, een ex-zakenman die slecht overweg kon met minister Jeszenszky en onlangs zo luid riep dat Jeszenszky niet deugde en diende op te stappen dat Boedapest hem op staande voet ontsloeg; en de ambassadeur in Parijs, die zich - terwijl in Boedapest steeds meer daklozen in stations bivakkeren - voor liefst tien miljoen francs een nieuwe residentie aanschafte, volgens boze tongen vooral omdat de buren van zijn vorige residentie niet meer tegen het pianospel van zijn eega konden.

En die top van Visegrad leverde behalve een drielandenakkoord ook boosheid op, bij de Bulgaren en de Roemenen die er graag bij hadden willen zijn, en bij de Sovjet-Unie, want, zo vond TASS, het akkoord van Visegrad had een “anti-Sovjet-bijsmaakje”, het smaakte naar de Kleine Entente van voor de oorlog, en TASS heeft daar nog even een ernstig verwijt van gemaakt.

Katona - even in Nederland om er de goodwill te peilen jegens de Hongaarse weg naar Europa - spreekt dat laatste tegen: het akkoord van Visegrad, zegt hij, “is tegen niemand gericht, is geen blok”. “Maar Roemenie en Bulgarije”, zegt hij, “bevinden zich nu eenmaal niet in de ontwikkelingsfase waarin wij ons bevinden. Natuurlijk, iedereen in Midden- en Oost-Europa wil zich zo snel mogelijk bij zoveel mogelijk organisaties aansluiten, iedereen heeft haast. Maar Bulgarije? We hebben er niet eens grenzen mee. Visegrad is een akkoord van drie landen die erin zijn geslaagd de democratie te vestigen, drie landen in dezelfde boot. We willen niemand uitsluiten, we willen niemand isoleren, dat is gevaarlijk. We willen samenwerking, met iedereen, maar we kunnen moeilijk wachten tot Albanie rijp is voor toetreding tot de EG voor we zelf lid worden.”

Hongarije voelt dan ook niets voor het voorstel dat zijn Roemeense ambtgenoot Romulus Neagu - ook even in Nederland om goodwill te peilen - maandag lanceerde: die van samenwerking tussen alle kleine Oosteuropese landen, de drie van Visegrad plus Roemenie en Bulgarije.

Katona: “Dan verdelen we Europa opnieuw, tussen arm en rijk. Dat voorstel van kameraad Neagu komt neer op de heroprichting van het Warschaupact, maar dan zonder de Sovjet-Unie. Dat is een oude weg.

Oude rails, oude gedachten, oude besognes. Geen blok meer! Geen nieuw, ditmaal sociaal IJzeren Gordijn. Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije zijn echte democratieen”. Roemenie niet? Kameraad Neagu? Katona: “Roemenie is geen democratisch land. Wij hebben niemand in de regering die ooit lid is geweest van de communistische partij. In Roemenie is dat omgekeerd. En och, dat kameraad is misschien wat boosaardig. Daarvoor bied ik mijn verontschuldigingen aan”.

Toch hinkt het Hongaarse beleid op twee gedachten: Boedapest wil optrekken met Praag en Warschau en “niemand uitsluiten”, wetend hoe “gevaarlijk” een isolement is, maar het schermt zich wel af tegen Boekarest en Sofia en schept aldus een nieuwe Europese grens: tussen de Balkan en het noorden.

De Hongaren hebben nogal wat problemen met de onrust over de grens, zo geeft Katona toe. Hongarije, zegt hij, is stabiel, dat blijkt wel uit het feit dat de helft van alle Westerse investeringen in Oost-Europa, inclusief de Sovjet-Unie, in Hongarije terecht komt, en uit de toelating tot de Raad van Europa, met zijn hoge entreeprijs in de vorm van een net meerpartijenstelsel, een nette vrije-markteconomie en een goed cijfer voor de rechten van de mens. Andere landen, zegt Katona, moeten nog maar bewijzen dat ze hetzelfde presteren.

In een vraaggesprek met het Hongaarse blad Nepszava, tien dagen geleden, beklaagde Katona zich over “de federale staten van het stalinistische type” die “de huidige crisis veroorzaken” en “de stabiliteit in de regio bedreigen”. Katona: “Dat klinkt wellicht wat hard. Maar die federaties van het oude type zijn wel in moeilijkheden: de degeneratie schrijdt voort, in de Sovjet-Unie, in Joegoslavie en tot op zekere hoogte ook in Tsjechoslowakije. Dat levert problemen op.

Tot wie moeten we ons wenden? Tot de federale eenheden? Tot het centrum? Als ik in Bratislava ben vraag ik me steeds af op wiens tenen ik vandaag weer sta. Vraag ik het centrum in Praag iets, dan is Bratislava beledigd en wend ik me tot Bratislava, dan doet Praag moeilijk. Voor Joegoslavie geldt hetzelfde. We willen goede relaties met iedereen, we hebben relaties met Duitse Bundeslander, met de Oekraine, we willen goede relaties met alle Joegoslavische republieken, sommigen zijn oude vrienden, sommigen zijn oude vijanden, maar met allen hebben we een gezamenlijke geschiedenis, en we bidden zachtjes dat die landen een blijven, in een federatie of een confederatie, in wat ze ook kiezen als ze maar kiezen''.

Het incident met de wapens voor Kroatie, zegt Katona, was een vergissing, te wijten aan onervarenheid. Vroeger liepen wapenleveranties via het betrokken bedrijf en via de partij. Die partij is nu weg, het bedrijf besliste zelf, er werd openlijk geleverd, niemand had in de gaten dat er problemen waren, en toen Belgrado protesteerde waren sommigen in Boedapest zo stom om zaken te ontkennen. “Antall wist van niets, die hoorde pas wat via de Joegoslavische televisie, en ik moest naar Belgrado om de problemen uit de wereld te praten. Een tragi-komedie.”

Roemenie en de Sovjet-Unie zijn speciale gevallen. Met Moskou wordt gepraat over een bilateraal verdrag, dat de Sovjet-Unie veiligheidsgaranties geeft en Hongarije de handen vrij laat op de weg naar Europa. Het is inmiddels, zegt Katona, “op een of twee paragrafen na klaar”. “Die laatste paragrafen hangen op de formulering, de Russen houden vast aan verouderde, belachelijke formuleringen”, maar, zegt hij, het is een kwestie van dagen wellicht.

Met Roemenie ligt de verhouding moeilijker, wegens de Hongaarse minderheid in Transsylvanie. De Roemenen keren zich tegen de heropening van het Hongaarse consulaat in Cluj, hoewel ze die heropening hebben toegezegd. “Ze denken nog steeds dat consulaten politiebureaus zijn waar zich spionnen verstoppen. Maar we willen daar economen hebben, we willen dat consulaten de ontwikkeling van de vrije markt en het vrije verkeer van mensen en denkbeelden bevorderen.”

Roemenie en Hongarije, zegt Katona, zouden samen een lijst moeten opstellen van de problemen, rond de tafel gaan zitten en die problemen een voor een uitpraten. “Hongarije is daartoe bereid. Roemenie? We zitten met vluchtelingen uit Roemenie, dat is zo'n probleem. Maar van de Roemenen mogen we hen geen vluchtelingen noemen, daarom komt dat probleem niet op die lijst en is het niet bespreekbaar”, zegt hij. En hij hekelt het chauvinisme, de intolerantie, het extremisme van organisaties als Vatra Romaneasca, en de tolerantie die Boekarest ten aanzien van die organisaties betracht.

En Europa? Europa, dat is voor de Hongaren voorlopig de EG. De Europese Veiligheidsconferentie, zegt Katona, is niet het forum waar de Hongaren op hopen, als het gaat om het opvullen van het vacuum in Europa, al was het maar omdat de CVSE op basis van consensus opereert.

De WEU is hooguit tijdelijk nuttig, zegt hij, want Boedapest gaat ervan uit dat op de langere termijn toch “de EG de gastorganisatie is voor de Europese veiligheid”.

Hongarije wil voor 2000 lid zijn van de EG, en hoopt op 1 januari 1992 geassocieerd lid te zijn, en of het dan gaat om het geassocieerde lidmaatschap of om het “geaffilieerde” lidmaatschap, een nieuw type samenwerking dat EG-commissaris Frans Andriessen onlangs introduceerde, is niet zo belangrijk. Katona wekt de indruk dat het Hongarije niet om de benamingen gaat, het wil naar Europa, en het beseft in het gedrang voor de poorten van Brussel niet in de positie te zijn zich ergens te goed voor te voelen: het hoopt in 2000 met beide benen in Europa te staan, en is blij als het eerder een voet tussen de deur krijgt. “De doelen zijn ambitieus. Maar ach, het Hongaarse koninkrijk is al duizend jaar oud, al duizend jaar weten we dat we de keus hebben tussen Europees denken, of van de kaart verdwijnen. Dat doen we nog steeds: Europees denken. Al duizend jaar.”