Het verschil tussen B-plus en B-min

Wie wil dat zijn dochter hoge cijfers haalt voor wis-, natuur- en scheikunde moet haar sturen naar een christelijke, categorale school op het Friese platteland. Wie individuele ontplooiing belangrijker vindt dan een exacte loopbaan, kan beter de HAVO-afdeling van een openbare scholengemeenschap in een grote stad in Noord-Holland kiezen.

Begin deze maand verscheen een rapport van het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs: 'Emancipatiebeleid op scholen'. Ondanks de actie 'Kies exact' kiezen meisjes in Nederland nog steeds minder vaak exacte vakken dan jongens. Als zij het al doen, zijn hun resultaten slechter. Wel zijn er opvallende verschillen tussen scholen. Het onderzoek (onder 65 VWO-scholen, 65 HAVO's en 70 MAVO's) moest achterhalen hoe groot die verschillen zijn en waar ze vandaan komen.

Op het kwart beste VWO-scholen halen meisjes gemiddeld een 6.5 voor hun eindexamen in de exacte vakken, op het kwart slechtste VWO-scholen een 5.5. Voor HAVO en MAVO zijn deze cijfers respectievelijk 6.2 versus 5.3 en 6.5 versus 5.8.

Op scholen met goede beta-resultaten bij meisjes doen ook de jongens het beter dan jongens op de andere scholen. Er is geen verband tussen het aantal meisjes dat exacte vakken kiest en de hoogte van hun cijfers. Op scholen waar maar weinig meisjes een exact pakket kiezen, vormen deze meisjes dus niet een geselecteerd groepje goed-presteerders.

Voor de verklaring van deze verschillen werd het bestand van onderzochte scholen drastisch beperkt. In 15 zogeheten case-studies kwamen vragen aan bod met behulp waarvan een portret kon worden samengesteld van B-plus scholen en B-min scholen: scholen waar veel meisjes exacte vakken kiezen en daar bovendien hoge cijfers voor halen en scholen waar weinig meisjes een beta-pakket nemen en daar ook nog eens niet goed in zijn.

Een verklaring waarvan de onderzoekers veel hadden verwacht, het sociaal milieu van de leerlingen, viel als eerste af. In plaats daarvan kon wel onderscheid worden gemaakt tussen leerlingen afkomstig uit agrarische en leerlingen afkomstig uit stadsmilieus. Zes van de zeven B-plus scholen bleken plattelandsscholen te zijn, of in een grotere plaats een streekfunctie te vervullen. Vier van de vijf B-min scholen stonden in een grote stad. Volgens de onderzoekers zou de instelling van de leerlingen een verklaring kunnen zijn. Leerlingen op het platteland zijn autoriteitsgevoelig: ze spijbelen minder en veroorzaken niet zoveel ordeproblemen als leerlingen in grote steden.

Invloed van een buitenshuis werkende moeder bleek afwezig. Moeders van leerlingen op B-plus scholen werkten zelfs minder vaak buitenshuis dan moeders van leerlingen op B-min scholen. Ook een eventuele voorbeeldfunctie van leraressen kwam niet uit het onderzoek naar voren. Op de B-plus scholen en de B-min scholen waren evenveel vrouwelijke leraressen, maar terwijl op de B-plus scholen het percentage leraressen in de exacte vakken 10 procent bedroeg, was dit op de B-min scholen 17.

Belangrijker dan vrouwen in voorbeeldfuncties was de opstelling van decanen. Op B-plus scholen letten decanen op de maatschappelijke relevantie van vakkenpakketten en spreken leerlingen ook op die relevantie aan. Decanen die uitgaan van de interesse van de leerling zitten vaker op B-min scholen.

Decanen hebben ook meer invloed dan leraren. Op B-min scholen stimuleren leraren meisjes vaker een B-vak te kiezen dan op B-plus scholen. Stereotiep denken van leraren leidt kennelijk niet tot stereotiepe keuzen van leerlingen. Op B-min scholen maken, aldus de onderzoekers, leraren en decanen de indruk een meer cynische houding te hebben ten opzichte van hun beroep en de mogelijkheden van hun leerlingen.

Ook wat het contact met de ouders betreft verschillen B-min scholen van B-plus scholen. Op deze laatste scholen wordt soms zelfs aan huisbezoek gedaan en is vaak een actieve ouderraad aanwezig. De betrokkenheid van ouders komt meestal voort uit de soort school: de vier meest extreme B-plus scholen waren bijzondere scholen, van de extreme B-min scholen waren er twee openbaar.

Overigens bestaat er geen verschil tussen B-plus en B-min scholen voor wat betreft de doorstroming naar technische of exacte vervolgopleidingen. Die is overal laag, tussen de 0 en 3 procent. Ook hieraan heeft de 'Kies exact'-campagne weinig kunnen veranderen.

Volgens de onderzoekers was de bewustwording bij jongens vaak groter dan bij meisjes. Leraren signaleren tegenwoordig vooral bij ouders van jongens ongerustheid over een voorgenomen alfa-keuze: 'Als het voor meisjes belangrijk is, dan al helemaal voor mijn zoon'.

    • Gretha Pama