Staatsbezoek moet 'bemoedigend' effect hebben; Koningin reist morgen voor kort bezoek naar voormalige DDR

BONN, 24 APRIL. De vraag is niet nieuw: wat is in deze tijd nog de zin van een officieel buitenlands bezoek van een constitutioneel staatshoofd, compleet met alle protocollaire finesses? In veel gevallen ligt het antwoord voor de hand: de traditionele betekenis van zo'n staatsbezoek is grotendeels verdwenen.

De redenen daarvoor zijn bekend. Wat inmiddels voor vele ambassades geldt, geldt ook voor het staatsbezoek: de (diplomatieke) wereld is kleiner geworden dankzij moderne communicatiemiddelen, snelle transportverbindingen, veel buitenland dagelijks thuis op de buis en in de krant. En door vele, vele gemakkelijke contacten over grenzen heen van burgers, politici, ambtenaren, wetenschappers, zakenlui. En door vele bilaterale contacten en internationale conferenties van ministers en regeringschefs.

Buitenlandse staatshoofden zijn, als zij niet Bush, Mitterrand of Gorbatsjov heten en thuis ook executieve macht bezitten, goed voor een snelle foto voor de erewacht of een paar seconden cameratijd op de paleistrap.

Maar zo is het niet altijd. Zo is het bijvoorbeeld niet met het (tweede) staatsbezoek dat koningin Beatrix en prins Claus, morgen en overmorgen, aan Duitsland brengen. Dat is niet alleen zo omdat veel Duitsers nog steeds een zekere romantische waardering hebben voor het verschijnsel royalty, ook al moest hun laatste keizer ruim 70 jaar geleden tamelijk smadelijk de wijk naar Doorn nemen.

Nee, belangrijker is dat koningin Beatrix het eerste buitenlandse staatshoofd is dat het verenigde Duitsland bezoekt en daarbij bovendien veruit de meeste aandacht zal besteden aan het grondgebied en de bewoners van de vroegere DDR. Volgens de Duitse bondspresident Richard von Weizsacker, de gastheer, heeft de Nederlandse koningin er trouwens zelf op aangedrongen haar bezoek speciaal op Oost-Duitsland te richten. Of de bondspresident n bijzonder karakter heeft wegens de huidige grote sociaal-economische en psychologische misere in de vroegere DDR, waarover in de Duitse politiek hevig wordt gedebatteerd tussen regering en oppositie, werkgevers en werknemers, jongere en oudere generaties en “Ossi's” en “Wessi's” in het algemeen. De Duitse eenheidsvreugd heeft plaats gemaakt voor grote zorgen over de middelen die moeten worden gekozen om de Oostduitse economie zo snel mogelijk overeind te krijgen. Dat zal op den duur wel lukken, daarvoor zal de grote kracht van de Westduitse economie wel zorgen. Maar het Duitse politieke debat nu is er niet minder om. Bovendien wacht voor de iets verdere toekomst een nog groter probleem, namelijk dat van de psychologische eenheid van Oost- en Westduitsers.

Anders gezegd: het bezoek stelt hoge eisen aan de koninklijke bezoekers, die zich, zoals het mooi heet, “persoonlijk op de hoogte komen stellen” van de toestand in de vroegere DDR. Maar die natuurlijk geen stelling kunnen nemen in het Duitse politiek-economische debat en evenmin de Oostduitse bevolking na ruim veertig jaar SED-bewind kunnen vragen om nog maar een tijdje “geduld” uit te oefenen. Het bezoek van koningin Beatrix, staatshoofd van een Westeuropees land dat voor de (Middeneuropese) Oostduitsers nogal plotseling een buurland is geworden, moet echter wel - Von Weizsacker zei het vorige week met zoveel woorden - een “bemoedigend” effect hebben.

Dat wordt een niet geringe opgaaf. Temeer ook niet omdat Nederland niet voorop loopt in Oost-Duitsland als investeerder of handelspartner. De Nederlandse economie (landbouw- en zuivelprodukten) heeft weliswaar geprofiteerd van de Duitse eenwording - de export steeg in 1990 met 8 procent. De wederzijdse handel steeg tot een record van 126 miljard gulden - maar het aandeel van de handel met de DDR vormt maar een procent van de handel met de “oude”

Bondsrepubliek.

De betrekkingen tussen Den Haag en Bonn zijn goed, zeker op economisch gebied, maar het is niemand in Bonn ontgaan dat het met het Nederlandse enthousiasme voor de Duitse eenwording de afgelopen anderhalf jaar soms nogal losliep. De voortdurend kritisch-wantrouwende aandacht in Den Haag, met name van premier Lubbers, voor het inmiddels opgeloste vraagstuk van de Duits-Poolse grens (de Oder-Neissegrens) is evenmin vergeten als aanvankelijke Haagse verzekeringen (najaar '89) dat de Duitse eenwording “nog niet op de agenda” stond.

De matineuze hartelijke gelukwensen van Lubbers aan kanselier Kohl, nadat deze vorig jaar juli met Gorbatsjov in de Kaukasus een doorbraak had bereikt, hebben die eerdere irritaties niet geheel kunnen wegnemen. Dat Den Haag totnutoe niet actiever inspeelde op de economische voordelen van de Duitse eenwording, zoals het ontstaan van nieuwe Europese West-Oost-as op Nederlandse hoogte, heeft ook enigszins verbaasd.

Aan Nederlandse reserves jegens Frans-Duitse initiatieven in Europa (die over de besluitvorming in de EG, of over de organisatie van nieuwe Europese veiligheidsstructuren) verbinden Duitse kranten de laatste maanden de conclusie van een zeker isolement van Den Haag. Dat premier Lubbers en minister Van den Broek soms niet precies dezelfde mening hebben, is serieuze kranten als de Frankfurter Allgemeine en de Suddeutsche Zeitung niet ontgaan. Overigens is de aandacht in de Duitse media voor Nederland gering (drugsbeleid en voetbal daargelaten), dat gold de laatste dagen ook voor het aanstaande staatsbezoek.

Koningin Beatrix en prins Claus beginnen hun programma morgen in Bonn, waar zij ook een kort bezoek aan kanselier Kohl brengen. Daarna reizen zij door Berlijn, waar zij het oostelijk stadsdeel aandoen en een wandeling maken langs de Brandenburger Tor maken voor zij naar Potsdam gaan (onder meer naar slot Sanssouci). Vrijdagochtend reist het koninklijk paar naar een landbouwcooperatie in Bellin, vrijdagmiddag wachten ten slotte een stadswandeling en een bezoek aan een machinefabriek in Dresden (een Nederlands-Oostduitse onderneming).

Veel verplaatsingen en korte visites dus in een gebied met grote problemen en een gedeprimeerde bevolking. Een makkelijk staatsbezoek wordt het niet.