Schijnbeweging

Het CNV noemde het jaarverslag van De Nederlandsche Bank een “kapotte grammofoonplaat”. Elk jaar opnieuw pleit president Duisenberg voor een lager overheidstekort zonder aan te geven hoe dat moet gebeuren, aldus de christelijke vakcentrale. In dat verwijt zit een kern van waarheid. Het jaarverslag bevat geen concrete suggesties. Die bewaart de Bank voor achter de schermen.

Zelf schrijft Duisenberg: “Sinds 1975, toen de zagenaamde 1%-operatie werd aangekondigd (Duisenberg was toen minister van financien, KC), zullen dan bijna twintig jaar verstreken zijn waarin ons land er niet in is geslaagd in zijn publieke financien afdoende de tering naar de nering te zetten. Deze tijdsduur zelve en het feit dat Nederland op dit punt duidelijk afwijkt van de andere EG-landen nopen tot de conclusie dat wij hier te maken hebben met een fundamenteel probleem in onze samenleving.”

Het leek de goede kant uit te gaan. Tussen 1983 en 1990 daalde het financieringstekort van het Rijk van 10,1 tot 5,3 procent van het nationale inkomen. De uitgaven van de overheid daalden vrij aanzienlijk, van 46,1 procent naar 41,5 procent van het nationale inkomen. De inkomsten daarentegen bleven min of meer stabiel: 37,2 procent van het nationale inkomen in 1983, 36,7 procent in 1990.

Toch was deze vooruitgang grotendeels schijn. De afgelopen zeven jaar waren jaren van internationale hoogconjunctuur, maar minister van financien Ruding slaagde er ook in deze omstandigheden niet in het tekort tot aanvaardbare proporties terug te brengen. Bovendien werd gebruik gemaakt van oneigenlijke methoden om de staatskas te spekken, zoals het vervroegd (maar wel gedeeltelijk!) aflossen van studieleningen door hoger geschoolden, en de verkoop van het chemieconcern DSM.

Nu het financieringstekort over de twaalf maanden tot en met maart 1991 weer is opgelopen tot ruim 6,75 procent van het nationale inkomen slaat Duisenberg “de schrik om het hart”. We moeten nu eens echt gaan bezuinigen, is zijn boodschap. Maar daarbij rijst de vraag waarom er het afgelopen decennium niet meer is bezuinigd. En, misschien nog interessanter, waarom het effect van de bezuinigen - want bezuinigd is er wel degelijk - zo gering was.

Het antwoord op de eerste vraag heeft ongetwijfeld te maken met het wezen van de Nederlandse politiek. De coalitie-kabinetten waartoe Nederland is veroordeeld worden al te vaak gekenmerkt door een gebrek aan consensus en falend politiek management. Voormalig minister Ruding ervoer dat aan de vooravond van de val van het tweede kabinet-Lubbers, toen de VVD de teugels van de uitgaven wilde laten vieren.

Het antwoord op de tweede vraag heeft te maken met het gevoerde macro-economische beleid, of beter: het gebrek aan zo'n beleid. Een vergelijking met Engeland dringt zich op.

De Britse economie verkeert momenteel in een recessie, maar gedurende de jaren tachtig was de groei in Groot-Brittannie relatief hoog. Een relatief hoge inflatie werd daarbij door Margaret Thatcher op de koop toe genomen, al betoogde zij anders. sneeuw voor de zon en de afgelopen jaren “kampt” de Britse overheid zelfs met een overschot.

De Nederlandse economie is het spiegelbeeld van de Britse: de economische groei was hier gedurende een groot deel van de jaren tachtig relatief laag, de laatste twee jaar uitgezonderd. Die lage groei ging gepaard met een uitzonderlijk lage inflatie: Nederland presteerde op dit punt zelfs beter dan de Bondsrepubliek. De belastingtarieven bleven in Nederland hoog, de inkomsten gingen relatief omlaag. En het effect van de bezuinigingen op het overheidstekort bleef beperkt.

Door dit alles kampt Nederland nu met een gigantisch overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans van ruim 19 miljard gulden (10 miljard dollar). Het Verenigd Koninkrijk daarentegen kampt al jarenlang met forse spaartekorten (33 miljard dollar in 1989, 22 miljard dollar in 1990).

Duisenberg betoogt in zijn jaarverslag dat dit overschot alleen met bedrijfsinvesteringen kan worden “weggewerkt”, en niet met hogere lonen of fiscale stimulering. Een bijna onvermijdelijke conclusie, al moet tevens worden bedacht dat de bedrijfsinvesteringen in Nederland, die als percentage van het bruto nationaal produkt jarenlang pover afstaken bij die in het buitenland, de afgelopen jaren juist relatief hoog waren. Is een nieuwe impuls voor de investeringen gedurende langere tijd wel mogelijk?

Inmiddels heeft ook Nederland - gelukkig - de weg van de lastenverlichting gevonden. Hoewel de Oort-operatie politiek aan de man werd gebracht als een belastinghervorming en niet als een verlichting, leverde zij per saldo in 1990 een lastenverlichting van ruim vier miljard gulden op. Ook de btw ging, in 1989, omlaag.

Daarnaast worden nu ook structurele hervormingen, die “ziek” Nederland weer “beter” moeten maken, bespreekbaar. Te denken valt aan de hervormingen van de ziektewet en de wao waarover momenteel zoveel in politiek Den Haag te doen is.

Als dit “Thatcheriaanse” beleid succes heeft, en de groei van de Nedelandse economie daardoor een impuls krijgt, kan ook het evenwicht binnen de overheidsfinancien worden hersteld. Zonder het een zal het ander niet lukken.