Roofteams politie oogsten succes

AMSTERDAM, 24 APRIL. Plotseling stopt rechercheur Schoenmaker, roept zijn collega op het bureau op en keert zijn auto. “Die wagen moet ik even achterna. Die staat bij ons geregistreerd als een auto waarmee binnenkort ergens buiten Amsterdam een overval zal worden gepleegd. Die nummers ken ik van buiten.” Het draaien in de nauwe straat ergens in Amsterdam-Oost heeft iets te veel tijd genomen. De auto is verdwenen.

Schoenmaker behoort tot het roofbijstandsteam van bureau IJtunnel (district IV). “De nummers van onze auto's, gewone burgerwagens, zijn ook bij de tegenstander bekend”, zegt hij. “Bij een inval laatst troffen we een PC waarin al onze autonummers stonden, zelfs van een auto waarmee we nog maar twee weken reden. Ook ons radioverkeer wordt constant afgeluisterd. Wat we eigenlijk nodig hebben zijn crypto-mobilofoons, maar die zijn erg duur, dus dat kunnen we wel vergeten”.

Het begin dit jaar ingestelde roofbijstandsteam van de Amsterdamse politie bestaat uit 180 voor dit doel vrijgemaakte politiemensen.

Zeventien van hen werken vanuit bureau IJtunnel, van wie er twaalf in het uitvoerend werk zitten. De overigen houden zich bezig met coordineren, voorkoming misdrijven en informatie. Districtscommissaris B. de Koningh, die eerder naam maakte bij de narcoticabrigade, vertelt dat ook in zijn district sinds de instelling van het team het aantal roofovervallen op personen aanmerkelijk is teruggelopen. “Het is nu al de 18de april en we hebben in deze maand nog maar twee roofovervallen gehad”. Hij klopt nadrukkelijk op de onderkant van zijn bureau.

In de kamer van het team hangen grote witte vellen. Van alle roofovervallen die zich sinds 1 januari in het district hebben voorgedaan, in totaal twintig, staan vermeld datum, plaats, omstandigheden en signalement van de mogelijke dader(s). Zes zaken zijn inmiddels doorgestreept. Die zijn opgelost. Coordinator B.

Remijnse legt uit hoe er wordt gewerkt: “We hebben zes rechercheurs die ieder zijn gekoppeld aan een man of een vrouw van de gewone uniformdienst. Die mensen komen voor drie maanden vanuit een van de districtsbureaus hier naar toe. We hebben dus zes koppels. De ene agent is beter dan de andere, maar voor iedereen is het een mooi stukje recherche-ervaring. Nooit weg.”

Schoenmaker, rechercheur Bosch en coordinator Remijnse raken in discussie over de tot nog toe behaalde successen. Bosch vindt de cijfers een beetje geflatteerd. “We hebben geluk gehad. In januari werd in de Utrechtsestraat een man gearresteerd die een stuk of vijftien overvallen bekende. Dat tikte meteen lekker aan.” Remijnse en Schoenmaker zijn het daar niet mee eens: “Zoals we het nu doen dwingen we dat geluk af. Vroeger was het zo dat, zodra er een nieuwe zaak binnenkwam, je de vorige min of meer liet vallen. Nu gebeurt dat niet meer. Ook de relatie met justitie is veel beter geworden. Er wordt op veel lager niveau met elkaar gebeld. Meestal willen we het verdere strafrechtelijke verloop van een zaak overigens liever niet weten. Je raakt er te snel te gefrustreerd van.”

Het gesprek komt op de dadersgroepen. “De meeste van die jongens, heel vaak Noordafrikaanse illegalen, ook wel Surinamers, komen bijeen in bepaalde coffeeshops. Die houden we goed in de gaten. Verder werken we met informanten. We zijn daardoor nogal eens op de hoogte van wat voor plannen er gesmeed worden. Als we zo'n Marokkaan of Algerijn arresteren is dat tijdens het verhoor vaak heel anders dan bij Nederlandse verdachten. Je hebt erbij die absoluut niets willen zeggen. Slaan doen we niet, hoewel ik weet dat in hun cultuur dat vrij normaal wordt gevonden.”

Er zijn er ook bij die gaan 'babbelen': overvallen bekennnen, namen noemen. Dat zijn voor de rechercheurs de mooiste momenten.

Strafvermindering wordt niet gegeven. Het gevaar dat 'verraders' geliquideerd worden, zoals bij de Joegoslavische groepen, is bij dit soort jongens echter ook niet erg groot. Schoenmaker: “Bij deze kleine jongens word je alleen uit de groep gezet. Ze trekken samen op, kennen elkaar wel, maar een hechte, goed georganiseerde groep is het niet. De overvallen op winkels zijn vaak nauwelijks gepland, hap-snap.”

De politiemensen vermoeden overigens dat de officiele cijfers niet de werkelijkheid weergeven. Veel overvallen worden niet aangegeven.

“Bijvoorbeeld de rip-offs onder elkaar. Homoseksuelen melden het ook niet altijd en beroofde illegalen lopen evenmin hard naar de politie.

Je ziet dat aan de bekentenissen: ze vertellen je soms zaken die nooit zijn aangegeven''.

Schoenmaker schetst een recent voorbeeld van de naiviteit van sommige overvallers. “Een tijdje terug werd een juwelier in de Dapperbuurt door een man met een pistool overvallen. Hij nam voor een paar ton aan ringen en hangers mee. De man had van alles aangeraakt, dus we hadden duidelijke vingerafdrukken. De betreffende man bleek een straf uit te zitten in de Bijlmerbajes. We begrepen er niets van. Wij nog eens heel precies informeren in Bijlmerbajes. Ja hoor, toen bleek dat de man dat weekend voor het eerst met proefverlof was. Zondagavond acht uur meldde de man zich weer keurig bij de bajes. Tijdens het verhoor bekende hij alles. Bovendien hadden we ook nog de heler, de buit en de man die had bemiddeld tussen onze vriend en de heler. Hij bleek de ringen, waarde 200.000 gulden voor 7.000 te hebben verkocht en toen een lekker weekend te hebben gevierd.”

C. Spel, werkzaam als agent bij het districtsbureau aan de Linneusstraat, heeft er net drie Spels collega's R. Heide en B.

Claassen van het preventieteam op districtsbureau Balistraat lopen hun dagelijkse rondje door de winkelstraten van de Indische buurt. Het is tussen vier en zes, de periode waarin de meeste winkelovervallen plaatshebben. Ze geven adviezen: “Veel winkeliers zijn kwetsbaar omdat ze hun kassa tegen zessen wegbrengen. Dan zeggen wij: doe dat nu eens om vijf uur. Kleine dingetjes. Laatste spraken we een man die nooit zijn kassa helemaal leeg haalt. Hij laat er altijd 150 gulden inzitten onder het motto: dan zijn die overvallers tevreden en ik ben nooit meer dat 150 piek kwijt. Deze man is in de loop der jaren al zes keer beroofd”.

De eigenaar van een wasserij aan het Kastanjeplein, Drost, ging onlangs twee jonge overvallers met een stalen stang te lijf. Hij heeft ze niet echt verwond. Dat wilde hij “deze keer nog niet”. De jongens sloegen zonder iets mee te nemen op de vlucht. Hij vertelt het verhaal nuchter, lacherig bijna. Rechercheur Schoenmaker: “Drost was toch wel behoorlijk over zijn toeren toen we meteen na die overval binnenkwamen. Begrijpelijk. Vroeger stuurden we de slachtoffers gewoon na het verhoor weg. Daar had je niets meer mee te maken. Tegenwoordig besteden we daar veel meer aandacht aan. Toen ik laatst een vrouw belde omdat we iemand hadden gepakt die vermoedelijk ook bij de roof op haar anderhalf jaar eerder was betrokken, barstte ze spontaan in huilen uit. Op zo'n moment besef je pas hoe traumatisch zo'n roof voor mensen kan zijn”.