Onze mariniers weer overal inzetbaar

Familieleden die uitbundig de bemanningen van de uit de Golf erugkerende marineschepen in Den Helder verwelkomen. Moeders en echtgenotes die een dag later naar Noord-Irak vertrekkende mariniers in Doorn uitzwaaien. Dat zijn beelden van het afgelopen weekend in de media die illustratief zijn voor een Nederlandse krijgsmacht die zich (nog) meer dan vroeger wereldomvattend gaat manifesteren.

Verwonderlijk is dat niet aangezien de ministers Van den Broek en Ter Beek in hun analyse van de nieuwe veiligheidssituatie in het eerste hoofdstuk van de recent verschenen defensienota constateren dat de veiligheid van het Westen steeds meer verstrengeld raakt met de veiligheid in de wereld als geheel. Bovendien, zo merken beide bewindslieden op: “De wereld buiten Europa is er niet veiliger op geworden”.

De logische consequentie die de nota hieraan verbindt is dat Nederland buiten het NAVO-verdragsgebied zo nodig bereid is ook militaire middelen te gebruiken om de internationale rechtsorde te handhaven en andere wezenlijke, waaronder economische, belangen te behartigen. Een en ander echter wel in internationaal kader, bij voorkeur in VN-verband. De vraag rijst echter of de ad-hoc benadering van West-Europa steeds meer tot een eigen verantwoordelijkheid op veiligheidsgebied geroepen wordt.

Nu - kort na de militaire en voor de mijnenjagers nog voortdurende presentie en deelname aan operaties in de Perzische Golf - eenheden van onze krijgsmacht humanitaire steun aan de Koerden in Noord-Irak gaan verlenen, kan men zich afvragen of langzamerhand een meer structurele aanpak niet gewenst is. Gezien haar belangrijke coordinerende rol tijdens de Golfoorlog en het conflict rondom Koeweit lijkt de West-Europese Unie hiervoor de aangewezen organisatie. Niet gebonden aan geografische beperkingen in haar optreden, is zij een voor de hand liggende aanvulling op de NAVO voor militair optreden buiten het verdragsgebied van dit bondgenootschap. Globaal is dan een keuze mogelijk uit twee benaderingen.

De eerste, de top down-benadering, vereist dat er eerst een Europese buitenlandse politiek komt voordat er sprake kan zijn van een Europees veiligheids- en daaruit voortvloeiend defensiebeleid. Als sluitstuk hiervan moet dan het defensiebeleid nog een militair-operationele invulling krijgen. De tweede, meer pragmatische bottom up-benadering, houdt in dat men met kleine praktische stapjes op haalbaar uitvoerend niveau begint. De deelnemers kunnen in dit geval politiek de handen vrijhouden. Deze laatste benadering geniet onze voorkeur.

Van belang is nu dat naar verluidt zowel Engeland als Nederland niet afwijzend staan tegenover het idee van een Rapid Action Force, een snel optredend brandweerkorps van de WEU die gericht is op een optreden buiten het verdragsgebied van de NAVO. Wat ligt dan meer voor de hand de recente stormachtige militair-politieke ontwikkelingen aan te grijpen voor een Brits-Nederlands initiatief in deze richting.

Praktische stappen op korte termijn wil zeggen: aanhaken bij bestaande vormen van militair-operationele samenwerking tussen beide landen.

Een maritieme oplossing ligt dan voor de hand: op zee werken de Britse en Nederlandse marine reeds lang nauw met elkaar samen. Als kern voor een maritieme WEU-RAF kunnen beide landen aansluiten bij het al achttien jaar bestaande samenwerkingsverband tussen eenheden van de Engelse en Nederlandse mariniers in de United Kingdom-Netherlands Landing Force (UK-NL Landing Force). Deze kern kan met fregatten en mijnenbestrijdingsschepen tot een evenwichtig vlootverband met uiteenlopende taken en mogelijkheden worden uitgebouwd.

Het is deze eenheid van dubbele nationaliteit die nu al bij uitstek voldoet aan de kwalitatieve eisen van mobiliteit, flexibiliteit, operationele samenwerking, reactievermogen en multinationaliteit, die de defensienota voor onze toekomstige krijgsmacht stelt. Het gezamenlijke optreden van de UK-NL Landing Force in Noord-Irak is hier weer het bewijs van.

Bevelvoering, procedures en tactieken zijn in deze strijdmacht op elkaar afgestemd. Nederlandse en Engelse landingsvaartuigen, luchtverdedigingsmiddelen en mortieren zijn nauw met elkaar geintegreerd in de UK-NL Landing Force.

Wat ligt nu meer voor de hand dit Brits-Nederlands samenwerkingsverband tezamen met andere WEU-landen als Frankrijk, Spanje en Italie uit te breiden tot een maritiem-amfibische kern van een WEU-RAF. Frankrijk kan een amfibische divisie van haar Force d'Action Rapide, Spanje eenheden van haar korps mariniers en Italie de amfibische groep van haar Forza di Intervento Rapido in een WEU-RAF inbrengen. De Bondsrepubliek zou met fregatten en mijnenjagers kunnen bijdragen. Voor wat betreft Frankrijk en Spanje, die zoals bekend geen deel uitmaken van de militaire geintegreerde structuur van de NAVO, kan de WEU op deze wijze als brug naar het Atlantische bondgenootschap dienen.

Ook een aantal politieke en militair-operationele argumenten dienen vermelding. Politiek gezien zijn zeestrijdkrachten met een amfibische component uiterst effectief als pressiemiddel. Controleerbaarheid als eigenschap van zeestrijdkrachten betekent dat ze het vermogen hebben waarneembaar te escaleren en zich terug te trekken. Bovendien hebben ze als escalatie-instrument de mogelijkheid de middelen geleidelijk in te zetten en te opereren in een internationale ruimte, de vrije zee.

Dit laatste betekent dat zich geen souvereiniteitsschendingen hoeven voor te doen.

Uithoudingsvermogen als eigenschap van amfibische strijdkrachten heeft als voordeel dat zij voor politieke doeleinden achter de hand kunnen worden gehouden nabij een spanningsgebied zonder naar hun thuisbasis terug te hoeven keren. Dit verschaft een grote mate van flexibiliteit in handelen.

Tenslotte de militair-operationele veelzijdigheid van amfibische strijdkrachten. Deze uit zich vooral in het scala van taken die ze kunnen uitvoeren en die varieren van humanitaire hulpverlening tot de inzet in een landoorlog. Amerikaanse mariniers doorschreden twee maanden geleden als volwaardige grondtroepen de Iraakse versterkingen in het zuiden van Koeweit om de hoofdstad van dit land te bevrijden en zijn nu weer ingezet in Noord-Irak ter beveiliging van de Koerden.

Terugkerend naar onze 'bottom-up' benadering: Welke stappen zijn er nu gewenst? De aanzet tot een maritieme WEU-RAF zou een Brits-Nederlands initiatief tot een serie oefeningen kunnen zijn waarvoor ook schepen, vliegtuigen en amfibische eenheden van andere WEU-landen worden uitgenodigd. Uitdrukkelijk is het doel hiervan niet om tot een uitgebreide 'contingency planning', een planning voor alle militaire scenario's te komen. Behalve dat hierdoor onnodige doublures met de NAVO zouden kunnen ontstaan is zo'n planning voor sommige landen ook weer te bindend. Voorts gaat het niet om 'extra' militaire middelen.

Aan de NAVO toegewezen eenheden krijgen slechts een 'dubbele hoed'.

Het doel is echter wel ervaring op te doen met wederzijdse operationele procedures, logistieke steun, standaardisatie en bevelvoering. Op deze wijze zou West-Europa een eerste praktisch haalbare aanzet kunnen geven tot een eigen aan de NAVO aanvullend veiligheidsbeleid