'Noord-Amerika' contra Europa en Japan

De Verenigde Staten, Canada en Mexico willen hun krachten bundelen om het verenigd Europa en Japan te kunnen weerstaan. Bush droomt van een Noordamerikaans vrijhandelsblok.

Een dispuut waarvan de uitslag uiteindelijk een zwaardere stempel op de jaren negentig zal drukken dan de Golfoorlog, wordt er gezegd. Het ontrolt zich vooral in Washington, de uitslag ervan is nog onzeker en een van de hoofdrolspelers - president George Bush - riep vorige week verbeten uit: “Bangmakers zijn het, die defaitisme verspreiden. Als zij aan het langste eind trekken, verliezen wij werkgelegenheid en zal de economische groei worden geremd. Dan zullen nieuwe, schrikwekkende golven van protectionisme over ons komen”.

De presidentiele toorn richtte zich tot een brede coalitie van georganiseerde arbeid, groente- en fruittelers, textiel- en staalfabrikanten, milieu-organisaties en actiegroepen tegen kindermisbruik of aantasting van dierlijk leven, die de afgelopen weken een felle campagne ontketende tegen Bush' visioen van een Noordamerikaanse vrijhandelsassociatie (NAFTA). Daarin willen de Verenigde Staten, Canada en Mexico zich verenigen om beter weerwerk te kunnen bieden tegen de groeiende economische macht van Europa en vooral ook Japan.

Eerder dit jaar leek het niet al te moeilijk om de drie partijen volgens plan aanstaande zomer aan de onderhandelingstafel te krijgen.

Waarna er tegen het einde van het jaar een vrijhandelsakkoord mocht worden verwacht dat dan binnen drie maanden door de parlementen in Washington, Ottawa en Mexico-Stad zou worden geratificeerd.

Sleutelfiguren uit het Democratische kamp hadden op Capitol Hill immers steun aan Bush' plannen betuigd, terwijl volgens opiniepeilers tachtig procent van de Mexicaanse bevolking de NAFTA-optie zou apprecieren. En deden Amerikaanse en Canadese zakenlieden sinds de afkondiging van het afzonderlijke Amerikaans-Canadese vrijhandelsakkoord per 1 januari '89 niet hun best om een 10-jarig programma tot slechting van de onderlinge handelsbarrieres te versnellen?

Kortom de voordelen van een reusachtige vrijhandelszone met 360 miljoen consumenten, een interne handel van 200 miljard dollar en een totale produktie van zes biljoen dollar werden alom erkend. Toch moet de regering-Bush nu alle zeilen bijzetten om haar Noordamerikaanse vrijhandelsdroom te redden. De grootste problemen liggen niet zozeer in Mexico-Stad of Ottawa - al bestaan die zeker - maar in Washington.

Daar heeft de regering-Bush nu de grootste moeite om van het Congres een tweejarige verlenging van het onlangs afgelopen fast track-mandaat te krijgen dat haar in staat stelt om zonder inmenging vooraf van het Congres handelsakkoorden met andere landen te ontwikkelen. Waarna de regering met zo'n akkoord naar het Congres kan stappen om een simpele ja- of nee-stem te vragen zonder amendementen. Bush' tegenstanders in het Congres zeggen nu dat zij in principe niet tegen een vrijhandelsakkoord zijn maar wel tegen de nu gevolgde snelle ('fast-track') onderhandelingsprocedure zijn. Zij willen een go slow-aanpak waardoor het Congres inspraak zou krijgen in de samenstelling van de onderhandelingsagenda en een eventueel akkoord kan amenderen.

Het Witte Huis vreest echter niet zonder reden dat het tegenstanders van een Noordamerikaans vrijhandelsakkoord er vooral om te doen is een stok tussen de deur te krijgen om vervolgens dat overleg te traineren en geleidelijk te laten doodbloeden. Zo hoog liep het verzet de afgelopen weken op dat het verzoek van Bush om verlenging van het 'fast track'-onderhandelingsmandaat nu, volgens professionele koppentellers (in beide Huizen van het Congres) bakzeil kan halen.

Vandaar dat invloedrijke Democraten als Lloyd Bentsen en Dan Rostenkowski, die de presidentiele vrijhandelsplannen steunen, Bush hebben geadviseerd onverwijld een 'actieplan' te ontwikkelen om daarmee aan de voornaamste bezwaren van de aanzwellende oppositie tegemoet te komen.

Pag. 18:

Vakbonden in VS vrezen exodus bedrijven naar Mexico

Het Amerikaanse verzet tegen een Noordamerikaanse vrijhandelszone wordt aangevoerd door het vakverbond AFL-CIO. Het vakverbond ziet massa's bedrijven en banen verdwijnen naar de overkant van de Rio Grande omdat in Mexico de lonen zoveel lager liggen en de arbeidsvoorwaarden zoveel minder voorstellen. Onzin, oordeelde een studiegroep van de Universiteit van Texas jaren geleden al.

Amerikaanse banen die door Mexico worden bedreigd, zijn slechte banen of banen die sowieso worden bedreigd door de internationale concurrentie. Volgens de groep is het nog altijd beter als een bedrijf uitwijkt naar Mexico en waarschijnlijk grondstoffen en halffabrikaten uit de Verenigde Staten blijft gebruiken, dan dat zo'n onderneming vertrekt naar Thailand of Taiwan en hulpbronnen betrekt uit Korea of Japan. De econoom Rudiger Dornbusch van Harvard gelooft trouwens dat het met die migratie van Amerikaanse bedrijven naar het arme zuiden erg zal meevallen. “Natuurlijk liggen de arbeidskosten in Mexico laag, tussen de twee en drie dollar per dag”, aldus professor Dornbusch in een beschouwing in The Wall Street Journal. “Maar de Europese ervaring met economische integratie van landen met een zeer verschillend inkomensniveau maakt duidelijk dat de industrie niet direct vertrekt naar regio's met lage lonen. Portugal en Spanje voeren wel bij de vrijhandel met de rest van Europa maar hebben Duitsland zeker niet buiten bedrijf gesteld. Te veel andere overwegingen dan lonen tellen mee bij plaatsingsbesluiten”.

Evenmin gelooft deze econoom dat Mexicaanse exporten de Verenigde Staten zullen overspoelen. Hij zegt: “Hoewel de Mexicaanse arbeidskosten laag zijn, weerspiegelen zij ook een laag niveau van produktiviteit en in sectoren als de textiel ook een lage kwaliteit.”

Daar komt bij dat Mexico op dit moment al een bevoorrechte positie op de Noordamerikaanse markt heeft. Omgekeerd wisten de Amerikanen de afgelopen vier jaar dank zij Mexico's commerciele opening naar de buitenwereld hun exporten naar het zuiden op te voeren met vijf miljard dollar. De Amerikaans-Mexicaanse handelsbalans is nu vrijwel in evenwicht. Toch zeggen cijfers en rationele argumenten niet alles in een debat waarin vooroordeel en protectionisme welig tieren en er soms openlijk wordt geappelleerd aan angstgevoelens als zou vrijhandel leiden tot een stortvloed van illegale arbeiders en drugs vanuit het zuiden.

Ook in Mexico zelf is een Noordamerikaanse vrijhandelszone allerminst onomstreden. Het politieke toneel werd immers generaties lang beheerst door nationalistische vendelzwaaiers die de buitenwereld met wantrouwen of vijandschap bezien. Hoewel hun politieke invloed thans sterk taant, zijn er wel legio kleine en doorgaans nogal primitief opererende Mexicaanse ondernemers die met recht vrees mogen hebben voor de Amerikaans-Canadese concurrentie. Tegelijkertijd bestaat in Mexico's academische kringen zorg dat het rijke noorden hoogwaardige industrie naar zich toe zal trekken zodat Mexico tot in eeuwigheid het land van de 'goedkope handjes' blijft. Verder zijn er vakbonden die hun steun aan een NAFTA afhankelijk stellen van de vooralsnog utopische eis tot een minimumloon-grens op het hele Noordamerikaanse continent. En de oppositionele Revolutionaire Democratische Partij stelt haar steun aan vrijhandel afhankelijk van de eis dat Washington in 1994 eerlijke algemene verkiezingen in Mexico garandeert. Wat president Carlos Salinas de Gortari en zijn inderdaad niet geheel fraude-bestendige Institutionele Revolutionaire Partij (PRI) zonder meer afwijzen. Toch garanderen de enorme macht van de Mexicaanse president en de dominerende positie van zijn PRI in het parlement dat een NAFTA zeker niet in Mexico-Stad op de klippen zal lopen. De agitatie tegen een vrijhandelszone van de polaire Yukon tot het tropische Zuidmexicaanse Yucatan is nog wat stormachtiger in Canada dat per 1 januari 1989 al een afzonderlijk vrijhandelsakkoord met de Verenigde Staten sloot.

Hoewel het Canadese zakenleven een drielandenakkoord onverkort blijft steunen, geeft het overkoepelende Canadese Labour Congress het ruim tweejarige vrijhandelsakkoord met de Verenigde Staten onbekommerd de schuld van de ernstige recessie die het land momenteel beleeft. En als Mexico er ook nog bijkomt, zal het nog erger worden, zo verzekert het vakverbond dat zich meer baseert op populistisch natte-vinger-werk dan op empirisch onderzoek, maar dat zich niettemin gesteund weet door het oordeel van de publieke opinie (afhankelijk van het onderzoek 50 tot 72 procent). “Als je onze critici mag geloven, waren alle ontslagen en bedrijfssluitingen van de afgelopen jaren het gevolg van vrijhandel”, schamperde minister van handen John Crosbie onlangs.

Feit is dat het nu 28 maanden oude vrijhandelsakkoord met de Verenigde Staten vooralsnog weinig tastbare verandering bracht in de onderlinge handelsrelaties. De gemiddelde Amerikaanse tarieven op Canadese exporten daalden sinds 1 januari 1989 van 3,6 tot 2,8 procent terwijl tweederden van de Canadese import uit het zuiden al voor het vrijhandelsakkoord tariefvrij waren. Tegelijk bleven de meeste 'non-tariff'-barrieres tussen Canada en Amerika intact in afwachting van de voltooiing (of mislukking) van de huidige 'Uruguay-ronde'

waarmee het algemene Akkoord inzake handel en tarieven (GATT) de vrijhandel in de wereld hoopt te bevorderen.

De nog beperkte reikwijdte van de vrijhandelsrelaties tussen Washington en Ottawa geeft al aan dat bredere factoren een rol spelen in Canada's huidige economische malaise. Chef-econoom Edward Neufeld van de Royal Bank of Canada oordeelde in de Financial Times: “Onze problemen wortelen niet in de handel, maar in begrotingstekorten, inter-provinciale handelsbarrieres, niet op elkaar afgestemde provinciale belastingsystemen en vooral ook in een lage produktiviteit”.

Hoewel de beoogde aansluiting van Mexico bij de Noordamerikaanse vrijhandelsassociatie Canada nauwelijks zal beroeren - de totale handel tussen beide landen beliep vorig jaar slechts 2,5 miljard dollar - vrezen nogal wat Canadezen dat de regering-Bush deze uitbreiding wil aangrijpen om onderdelen van het lopende Amerikaans-Canadese akkoord te herzien. Dat geldt vooral Canada's bescherming van zijn 'culturele industrie' - uitgeverijen, film, media - tegen de slokoppen in Hollywood en New York. “De Canadezen zijn nu eenmaal ultra-gevoelig voor de eventuele Amerikaanse beheersing van hun media”, meent de voormalige Canadese onderhandelaar Gordon Ritchie. “Wij menen dat het schrijven van novelles iets anders is dan het produceren van kleerhangers”.

Een ding staat vast. Als de voorgestelde Amerikaans-Canadees-Mexicaanse vrijhandelsassociatie op de klippen loopt, zal dat niet liggen aan gebrek aan economische analyses. Sinds de presidenten George Bush, Carlos Salinas en Brian Mulroney hun voornemen kenbaar maakten om te gaan onderhandelen over een drielandenakkoord, proberen dozijnen particuliere en publieke economen en economencommissies met hun computers de gevolgen voor de aspirant-partners te berekenen. Volgens de Amerikaanse International Trading Commission (ITC) zijn er alleen al in het Amerikaanse overheidskamp acht studies in de maak of al voltooid. Zelf bracht de ITC afgelopen februari zo'n rapport uit. Daarin wordt geconcludeerd dat een Noordamerikaanse vrijhandelszone “weinig tot geen gevolgen zal hebben op de werkgelegenheidsniveaus in de Verenigde Staten. De reden ligt voor de hand. De Mexicaanse economie is qua omvang slechts vier procent van de Amerikaanse en slechts zeven procent van alle Amerikaanse exporten gaat naar de zuiderburen die importtarieven hanteren van gemiddeld minder dan tien procent.

De meeste academische studies die tot nu toe het licht zagen, geven ook aan dat de effecten van een vrijhandelszone beperkt zullen zijn.

Zo concludeert het adviesbureau Peat Marwick in een vorige maand verschenen studie dat het gemiddelde Amerikaanse inkomen als gevolg van continentale vrijhandel met een luttele 0,02 procent zal stijgen en het Mexicaanse met een nauwelijks inspirerende 0,32 procent.

Sectorgewijs weergegeven zijn de cijfers wat imposanter. Zo zal bij voorbeeld de Amerikaanse machinebouwindustrie haar globale omzet als gevolg van continentale vrijhandel met 0,48 procent kunnen vergroten terwijl de Amerikaanse suikerindustrie moet vrezen voor een terugval met 3,89 procent. Omgekeerd moet de Mexicaanse machine-industrie rekening houden met een verlies van vier procent terwijl de Mexicaanse suikerbouw mag hopen op een spectaculaire winst van dertig procent.

Intussen wijzen critici erop dat in de meeste studies gebruik is gemaakt van de zogeheten 'algemene evenwichtsmodellen', waarbij wordt aangenomen dat de structuur van de met elkaar vergeleken economieen gelijk blijft en een vrijhandelszone slechts 'statische winsten' kan opleveren. Optimisten verzekeren evenwel dat er ook mag worden gerekend op moeilijk meetbare 'dynamische winsten' als gevolg van schaalvergroting, groeiende concurrentie, overdracht van technologie, betere investeringsregels en hogere economische groei. Zo verzekerde prof. Clark Reynold van de Stanford-universiteit eerder deze maand tijdens een NAFTA-conferentie in Denver dat het 'dynamische integratie-dividend' de statische voordelen van een afschaffing van handelsbarrieres ver zal overtreffen. Dit 'dynamisch' optimisme leeft ook in Mexico-Stad waar de invloedrijke zakenman Jean Claude Gandon liet weten: “Mexico wordt door het internationale zakenleven traditioneel gezien als een deel van het economisch zwakke en labiele Latijns-Amerika. Alleen als deelnemer aan de Amerikaans-Canadese vrijhandelszone zal het internationale vertrouwen in Mexico toenemen en zullen zijn produkten serieus worden genomen”. De Mexicaanse president Carlos Salinas zegt het zo: “De zekerheid van toegang tot de reusachtige markt van de Verenigde Staten zal een enorme stimulans opleveren om in Mexico te gaan investeren”.