'Luxueuze' galeries en een Westerse oase in Boedapest

BOEDAPEST, 24 APRIL. Het is een fluitje van een cent om galeriehouder te worden. Je slaat een paar spijkers in de muur, hangt er wat schilderijen aan, die vrienden in hun vrije tijd hebben gemaakt, en je wacht geduldig op kopers. In elk land zijn er middenstanders te vinden die pretenderen in 'kunst' te handelen. Zo ook in Boedapest.

Op de Tanacs Korut, een stedelijke slagader, geven meubel- of prullaria-winkels zich uit voor 'galerie'. Tussen eetkamer-ensembles hangen naakten waar zelfs de schilder-maffia van Montmartre zich voor zou schamen. Ook bij de 'art-shop' van de National Galerie, het belangrijkste museum van Hongarije, kan de toerist met uiteenlopende credit-cards terecht voor doekjes met mistige poesta's en voor goudglanzende plastieken. Braaf werk dat alles met 'handel' en weinig met 'kunst' te maken heeft.

Die commerciele instelling is niet verwonderlijk in een land waar de helft van de bevolking met zijn maandelijks inkomen niet rondkomt en waar tweederde van de inwoners zich geen kledingaankopen kan permitteren. De toerist moet voor inkomsten zorgen. Daarom smeekt men op het station bij aankomst van internationale treinen of je kamers wilt huren voor Duitse marken. Daarom venten er vrouwen met borduurwerkjes in de Vaci Utca, de plaatselijke Kalverstraat. Daarom proberen de meest ondernemende van de vierduizend Hongaarse beeldende kunstenaars onderdak te krijgen in een Westerse galerie. Hoewel museumconservatoren goed op de hoogte zijn van de nationale, eigentijdse beeldende kunst-produktie, kunnen zij door geldgebrek weinig aankopen doen. Uit die hoek valt dus niet veel verwachten.

Tot het moment van een westerse doorbraak zijn de beeldende kunstenaars hier afhankelijk van particuliere en staats-galeries, en van beurzen, die onder meer verstrekt worden door het George Soros-fonds. Deze in Amerika woonachtige Hongaarse zakenman en mecenas streeft naar een nieuwe, 'open maatschappij' in zowel Hongarije als andere Midden- en Oosteuropese landen. Dankzij zijn generositeit kunnen jonge Hongaarse zakenmensen in het westen opleidingen volgen en kunnen kinderen op school zich bekwamen op de computer.

In het verleden 'vergat' men wel eens Soros- en andere kunstbeurzen te verstrekken. Of ze gingen langs morsige wegen naar vrienden van hooggeplaatse ambtenaren. Aan die organisatie is een eind gekomen.

Elke beeldende kunstenaar kan nu bij een onafhankelijke stichting meedingen naar een Soros-beurs, dat wil zeggen een maandelijks inkomen van driehonderd gulden. De rest van het Soros-kunstbudget wordt besteed aan een gecomputeriseerd documentatie-systeem, dat visueel en tekstueel inzage geeft in het beeldende kunst-aanbod in Hongarije, aan Engelstalige catalogi, aan tentoonstellingen en symposia.

Maar of de kunstenaar nu wel of niet een beurs heeft gekregen, hij blijft daarna toch afhankelijk van de particuliere en staats-galeries.

Een van die overheids-galeries is gevestigd om de hoek van het dure Atrium Hotel, in de Dorottya Utca. Eva Sebok exposeert er abstracte, dramatische schilderijen die in zwart, rood en oranje nachtelijke bosbranden lijken te verbeelden. De galerie staat onder auspicien van het Mucsarnok, de stedelijke kunsthal die nationale en internationale tentoonstellingen organiseert. Dit najaar reist Imago, fin-de-siecle in Dutch contemporary art naar het Mucsarnok, de multi media-presentatie, die vorig jaar op de Kunstrai te zien was.

De staatsgaleries mogen niet rechtstreeks verkopen, geinteresseerden worden verwezen naar het atelier van de kunstenaar. Volgens de 'steward of the gallery', zoals de suppoost zichzelf noemt, meldt zich elke dag wel een potentiele buitenlandse koper. Of de doorverwijzing naar de kunstenaar daadwerkelijk uitmondt in aankopen, eet 'de steward' niet, het interesseert hem nauwelijks. Hij doet dit werk al zes jaar, en een zekere moedeloosheid laat er geen twijfel over bestaan dat hij hard aan een andere baan toe is.

Sapjes

Twee uitersten in het vrije galerie-circuit zijn de Gulacsi galerie, eveneens aan de Tanacs Korut, en Galerie Knoll, verscholen op de eerste etage van een monumentaal woonblok aan het Frans Lisztplein. Zo sober als Knoll zich presenteert, zo 'luxueus' is de inrichting van Gulacsi, compleet met zware bankstellen, marmeren vloeren, duizenden volts aan spots. De bezoeker wordt in een spierwit ingericht kantoor verwelkomd met sapjes en sigaretten. Ter introductie vertoont galeriehouder Istvan Puskas promotie-video's van kunstenaars uit zijn stal.

Gulacski is in 1986 opgericht door 21 kunstenaars, die er ook regelmatig exposeren. Het forse pand, met een driehoekige glazen gevel is door het collectief gefinancierd. De helft van de clientele bestaat uit buitenlanders, licht Puskas toe. Dat moet ook wel, want de prijzen, van vijftig- tot driehonderdduizend forinten ((f) 1.500 tot (f) 10.000.-) liggen uitsluitend binnen het bereik van een kleine groep succesvolle Hongaarse zakenlieden. “En die prijzen zijn beduidend lager dan in het westen”, propageert de galeriehouder, die elke koper een certificaat verstrekt waarmee het schilderij tegen de oorspronkelijke prijs aan Gulacsi kan worden terugverkocht.

Alle 21 betrokken kunstenaars - van dertig tot negentig jaar - kunnen, volgens de Puskas, in hun onderhoud voorzien dankzij de galerie-verkoop. Hun werk loopt sterk uiteen. De jonge, diverse malen onderscheiden Andras Bernat maakt sombere, vage landschappen waarin zich een enkel, nauwelijks waar te nemen bouwsel of groeisel ophoudt.

Zoltan Tolg-Molnar concentreert zich op de textuur van zijn teer-achtige, abstracte schilderingen. Hij brengt in gemengde technieken gips en papier op het doek aan, dat hij een verweerd en verbrokkeld uiterlijk geeft.

De meeste expressionistische schilderijen raken net de figuratie - een woest vrijend echtpaar of een zich uit ketenen bevrijdend naakt, gekaderd in kleuren van de Hongaarse vlag - zodat de niet ingewijde toeschouwer geen al te diepzinnige gedachten over het doek hoeft te maken. Ook de liefhebber van naieven komt hier aan zijn trekken.

Gulacsi is van alle markten thuis. Vorig jaar is men een verbintenis aangegaan met een Britse galerie en die samenwerking moet tot uitwisselingen en tot een introductie op de Westerse kunstmarkt leiden.

Menig kunstenaar haalt zijn neus op als de Gulacsi galerie ter sprake komt. 'Commercial art is never clean', vindt men. Galeriehouder Puskas mag dan beweren dat er nog zoveel kunst uit de droevige jaren vijftig en zestig in kelders verborgen ligt, welnu, meent de kunstenaar, hij kletst maar wat. Er valt niets uit die jaren te ontdekken.

De kunstenaar heeft gedeeltelijk gelijk. De National Galerie biedt nu een overzicht van de Hongaarse beeldende kunst van de jaren zestig, waarin alle stromingen, ook de allereerste performances, vertegenwoordigd zijn: Van de vroegere, gipsen mensfiguren die Gyorgy Jovanovics maakte, tot de collages en geometrische schilderijen van Lajos Kassak, een van de meest vooraanstaande 20ste-eeuwse kunstenaars van Hongarije, aan wiens werk een afzonderlijke museum in Boedapest is gewijd. De recente geschiedenis van de beeldende kunst lijkt inderdaad volledig toegankelijk. Maar toch; wie vaker in Boedapest is geweest, weet dat zich achter mysterieuze gevels het oeuvre kan schuilhouden van ten onrechte verwaarloosde of vergeten kunstenaars.

Fransen

Geen video's of zitcomfort bij de galerie van Hans Knoll, die in mei zal deelnemen aan de Kunstrai in Amsterdam. Via een donkere hal en trap weet menig buitenlander deze 'westerse oase' te vinden. Galerie Knoll is een filiaal van de gelijknamige vestiging in Wenen. Dankzij de goede zaken op het 'Middeneuropese eiland Wenen', hoeft Knoll zich in Boedapest geen zorgen te maken over de geringe verkoopresultaten.

Hij denkt op de langere termijn, 'zet rustig de ene stap na de andere', investeert in publiciteit, lanceert een beperkt aantal kunstenaars weloverwogen op de internatonale markt. “Ik ben niet uit Wenen gekomen om hier Hongaarse beeldende kunst te promoten. Dat moeten de Hongaren zelf doen. Maar ik exposeer hun werk wel in Oostenrijk. Voor elk land afzonderlijk is op de internationale markt weinig plaats. Er zijn maar een paar goede kunstenaars die daar doorbreken. Bij elke lancering is zorgvuldigheid geboden”.

Volgens Knoll denken veel Hongaarse beeldend kunstenaars dat met een enkele tentoonstelling in een Duitse provinciestad een glansrijke carriere is verzekerd. Van prijzen hebben deze kunstenaars geen verstand, laat staan van marktgerichte strategieen. Daarom probeert Knoll via zijn galerie informatie te verstrekken, lezingen te organiseren, buitenlandse collectioneurs in contact te brengen met kunstenaars in Boedapest, Hongaren in aanraking te brengen met 'grote namen' als Fulton, Rausch, Penck en Kosuth en vooral met Tsjechische kunst, waarin de galeriehouder zichzelf 'een expert' noemt.

Tijdens ons gesprek druppelen vijftien museumdirecteuren uit de Franse provincie binnen. De galerie, die uit drie kleine vertrekken bestaat, is meteen vol. De dames en heren krijgen uitvoerig antwoord op al hun vragen. Wie exposeren hier en waarom, wat zijn de prijzen en ziet Knoll niets in een samenwerkingsproject? Ze laten na een uur van enthousiaste gebaren en uitroepen over de grote, egaal geschilderde 'koppen' van Akos Birkas, een stapeltje visitekaartjes achter; contacten, die zoals Knoll me later toe fluistert, op de lange termijn helaas zelden iets opleveren.

Dat laatste is geen reden tot wanhoop. Het Hongaarse publiek mag dan weinig kunnen kopen, de meeste tentoonstellingen in Boedapest worden druk bezocht. En straks, als de vrije markteconomie op gang is gekomen, zo beweren de betrokkenen, dan zal ook het beeldende kunst-circuit daarvan profiteren.