Bonn of Berlijn

HISTORISCHE beslissingen lopen aan de leiband van het toeval. Zonder die paar twijfelaars en Adenauers grote voorliefde voor zijn eigen huis even onder Bonn was niet dit aangename provinciestadje aan de Rijn hoofdstad geworden maar Frankfurt am Main.

Daar wilde in 1949 menigeen heen, want het was een grote stad, de economische raad zetelde er al en uit oogpunt van symboliek was het Frankfurt van de Paulskirche (1848) de ideale plek om democratie te beoefenen. Het werd niet Frankfurt, maar - op het nippertje - Bonn.

Was het toen Frankfurt geworden en niet Bonn dan was Duitsland nu waarschijnlijk de discussie over een nieuwe regeringszetel bespaard gebleven. Frankfurt had net als Berlijn een historisch krediet, Bonn is altijd een provisorium gebleven, een versteend toeval.

De persoonlijke mening van het parlementslid H. Kohl dat de regeringszetel naar Berlijn moet verhuizen, zou aan Bonn weleens een einde kunnen maken. De keuze is weliswaar een vrije kwestie en de invloed van dit parlementslid dezer dagen wat geringer, maar toch trekt zowel de bondspresident als de bondskanselier nu aan hetzelfde einde van het touw.

DE ARGUMENTEN pro en contra Bonn of Berlijn zijn bekend en van een gevarieerd soortelijk gewicht. Bonn is beter, omdat het staat voor bescheidenheid en democratie, voor een succesrijke democratie. Bonn is beter omdat de zuidrand van de stad bol staat van de fonkelnieuwe ministeries en wat dies meer zij. Verhuizen kost een vermogen en in de woorden van minister van financien Waigel: “We hebben geen geld”.

Berlijn is beter omdat de cirkel van de Duitse eenheid dan rond is, omdat het een metropool is, omdat dat eiland in de vroegere DDR economische en psychologische impulsen kan gebruiken en - niet onbelangrijk - omdat het veertig jaar lang is beloofd. Wat dit laatste betreft: de ironie van de geschiedenis wil dat de grootste voorvechter van Bonn, burgemeester Daniels, tot amper twee jaar geleden elk buitenlands staatshoofd formeel en officieel verzekerde dat deze te gast was niet in de eigenlijke hoofdstad, maar in de voorlopige regeringszetel Bonn.

Pro en contra figureren dan ook nog zulke atmosferische overwegingen als zou de ene stad (Berlijn) wat al te Pruisisch-protestants zijn en de andere (Bonn) al te Rijnlands-katholiek. Ten slotte zal voor het parlementslid Kohl op de achtergrond ongetwijfeld nog een keer de mantel der historie hebben gewapperd. Helmut Kohl gaat als kanselier de geschiedenis in als de man die de kans op Duitse vereniging heeft gegrepen en hij wil dat hoofdstuk afmaken. Ondanks het feit dat hij als politieke kleinzoon van Adenauer zijn sentimenten in het Rijnland heeft liggen.

VOOR ZOVER hoofdsteden een symbolische betekenis hebben, schuift Duitsland op naar het oosten. Anders dan voor de oorlog ligt Berlijn niet in het centrum maar aan de rand, bijna evenver van Polen als Bonn van Luik en Maastricht. Misschien is het een natuurlijke plek voor een land dat in het midden van Europa ligt en zich moet bekommeren om de sociaal-economische ellende die tachtig kilometer achter de Rijksdag begint. Maar om nog een keer in symbolen te redeneren: voor de westelijke buren, dus ook voor Nederland, schuift Duitsland wat verder weg. Als het doorgaat tenminste.

Realiseert iedereen zich dit?