Bij de zeventigste verjaardag van Karel Appel; De lotgevallen van Vragende Kinderen

“Twee luiken heeft hij uit de vloer van de zolder gerukt, en toen heeft hij bij mij wat van die blokken kachelhout erop gespijkerd en daar verf overheen gesmeerd. Er zijn er twee van, he. Je moest bij hem altijd zo langs dat randje lopen want de luiken waren weg”, herinnert acteur Bertus Botterman (80) zich de ontstaansgeschiedenis van Vragende Kinderen (1949), dat als “beschilderd houtrelief” ruim veertig jaar later geldt als een van de topstukken uit de Appel-collectie van het Stedelijk Museum.

Karel Appel, die morgen zijn zeventigste verjaardag viert, woonde de eerste vijf jaar na de oorlog aan de Oudezijds Voorburgwal 127. Bertus Botterman was op de tweede etage zijn directe benedenbuurman: “Ik kon erg goed met Karel opschieten, hoewel we totaal verschillende levens leidden. Ik speelde in die tijd bij de jonge Jan Lemaire in wederopbouwkampen. Dat was echt idealistisch. Kunst bij de arbeiders brengen, Polletje Piekhaar, Schipper naast God, maar ook Shakespeare.

Die arbeiders zaten trouwens dikwijls te slapen hoor, want die hadden de hele dag hard gewerkt. Karel leefde echt om te schilderen. Maar hij kwam toch geregeld bij me langs om geld te lenen, of om te schooieren om wat eten. De papieren zakken van de VANA, waarin ik de boodschappen haalde, plakte hij op zijn doeken. Als dat een paar weken op een tentoonstelling hing, liet vaak de lijm los zodat je de optellingen van de kruidenier nog kon lezen. En 's nachts haalde hij me wel uit bed, want ik had een grammofoontje. Dan moest ik dansen op het Halleluja van Handel. 'Bertus, we gaan naar Duitsland, beroemd worden', zei Karel dan, 'ik maak de affiches.'

“Hij was er toen al echt van overtuigd dat hij het zou gaan maken. Hij was nog niets, en een hoop mensen vonden zijn werk vreselijk, maar hij gedroeg zich al helemaal als een homme arrive. Je hebt van die mensen, die voelen echt dat ze carriere gaan maken. Rudy Falkenhagen, ook een hele goeie vriend van me, had dat ook. Zelf was ik heel anders ingesteld, altijd meer op gezelligheid en vriendschap. Ik ben ook nooit een bekende ster geweest. Ik speelde wel graag, maar min of meer in het duister, kun je zeggen.”

Een deel van de enorme produktie van Karel Appel uit die jaren (“Hij maakte op een nacht wel veertig schilderijen”) kreeg Botterman cadeau, als de kunstenaar zijn atelier opruimde. Ook Vragende Kinderen kwam aan de vooravond van een van Appels reizen naar Parijs in zijn bezit. Er is niet altijd even eerbiedig met het kunstwerk omgesprongen: “Op feestjes werden er wel glazen en flessen op die blokjes gezet. En andere kunstenaars, die Appel niet mochten, hebben er allemaal vieze woorden achterop geschreven. Als ik door het museum loop, vraag ik me altijd af of die er nog op staan.”

Toen in 1950 het pand aan de Oudezijds na een gerechtelijke procedure ontruimd werd, verdween een groot aantal kunstwerken van Karel Appel in het water. Bertus Botterman: “Hij maakte ook allemaal dingen van ijzer. Verfblikken, die hij op elkaar soldeerde, en zeepkloppers met verf er overheen gekwakt. Owjegts noemde hij dat. Die gaf hij van die vreemde namen: Drift op Zolder. Van die objecten hebben we er een aantal gewoon in de gracht getrapt, waarvan ik later dacht: o jee, had ik ze maar meegenomen. Maar ja, ik had zelf ook niet veel ruimte. Ik kon mijn eigen spullen nauwelijks kwijt.”

Vragende Kinderen verhuisde wel mee naar Bottermans nieuwe woning, waar het nog een aantal jaren boven de kachel heeft gehangen, eerst een houtgestookte Salamander, en later een Alladin petroleumbrander.

Aan de grote spijkers, die het relief bijeen houden werden wel sokken en theedoeken te drogen gehangen. “Dat was nog wel eens handig, ja”, verklaart Botterman vijfendertig jaar later lachend. “Je zag de waarde er niet zo van in, he. Hoewel ik er toch wel aan gehecht was.”

Midden jaren vijftig zag Botterman zich door financiele nood (“Je had toen nog geen WW voor acteurs, zoals tegenwoordig”) gedwongen zijn Appels van de hand te doen voor prijzen die nu lachwekkend aandoen; een houtplastiek voor 350 gulden en keramiek voor niet meer dan een paar tientjes. Vragende Kinderen, dat al eens door een belastingdeurwaarder over het hoofd was gezien, verhuisde uiteindelijk naar het Stedelijk Museum, na bemiddeling van de schilder Franz Deckwitz.

Deckwitz: “Bertus had me gevraagd het ding voor hem te verkopen, maar niemand wilde het hebben. Het heeft nog een hele tijd bij mij op een hospitakamer aan het Singel gehangen. Ik heb het aan Eva Bendien van Galerie Espace aangeboden, John Streep uit New York (de twintig jaar later vermoorde kunsthandelaar) heb ik het laten zien, en nog wat andere mensen, maar niks. Toen bood Sandberg 1.600 gulden. Ik heb gezegd dat ze het verder maar met Bertus af moesten handelen.”

Op 17 september 1956 veranderde het kunstwerk definitief van eigenaar voor 800 gulden. Het ontvangstbewijs heeft Botterman nog steeds in zijn bezit, nu als boekenlegger. Dat de overeengekomen prijs op het laatste moment werd gehalveerd, moet volgens Botterman worden toegeschreven aan het feit dat 'er niet meer geld in het potje zat', zoals de onderhandelaar van het Stedelijk Museum het uitdrukte.

“Als ik het in het museum zie hangen, gaat er toch wel iets door me heen. Dan denk ik: ik wou dat ik het voor achthonderd gulden terug kon kopen.”

Foto:

Stedelijk MuseumDe huurkamer, Singel 306