Wie niet meejubelt over de rol van het westen is verdacht

Cabaret: Hundekomodie, van en door Hans-Eckardt Wenzel en Steffen Mensching. Gezien: 20-4 in De Melkweg, Amsterdam. Aldaar t-m 28-4.

Twee sjofele clowns in een niemandsland, maar van wachten op Godot is hier geen sprake. Deze twee is hun land afgepakt, het bestaat niet meer, het is opgeheven en ze mogen er van de huidige heersers niet eens meer aardige herinneringen aan hebben. “Wie niet jubelt, is verdacht”, luidt het nieuwe adagium in wat vroeger de DDR was. Daar waren Hans-Eckardt Wenzel en Steffen Mensching jarenlang de kritische cabaretiers, die hun boodschappen - in de traditie van Die Pfeffermuhle - moesten verstoppen in parabels en balladen.

Nu, na de Wende, doen ze dat nog steeds. Misschien is het de macht der gewoonte, misschien is het nu eenmaal hun stijl. Soms is die vorm ietwat omslachtig; nu iedereen alles mag zeggen, maakt het een wonderlijke indruk als het cabaret van die vrijheid nog nauwelijks gebruik maakt. Wenzel en Mensching, die zich presenteren als de potsenmakers Meh & Weh, lopen wat verweesd rond in deze overgangstijd zonder houvast. Ze zoeken naar nieuwe zekerheden, ze weten op dit moment alleen dat ze niet meejubelen over de westerse machtsovername.

Ze spelen een sketch waarin het westen de stinkende heelmeester is, die geen betere medicijn weet dan het oosten beide benen af te hakken.

Dat is zo'n beetje de situatie, vinden ze.

Meh & Weh vergelijken het Duitse volk in hun Hundekomodie met honden, soms bloeddorstig en vaak slaafs. In een van hun ballades zingen ze over het hart van de hond van de Fuhrer, dat ergens nog klopt. Ze erkennen dat die hondse volksaard niet iets is om trots op te zijn - en toch gaat voor hen dat Hundeland uber alles.

Niet altijd is de logica in hun samenspraken voor een westers publiek te volgen, maar ik vermoed dat ze op zulke momenten de dialectische redeneertrant persifleren, die in de DDR veertig jaar lang is beoefend. Cynisch, sarcastisch en moralistisch is hun optreden, meestal vervuld van een heftige ernst en een grote mate van troosteloosheid: “De domheid wint. Wie nadenkt, heeft al verloren.”

Dat zijn geen conclusies om luchtige grapjes over te maken.

Alleen aan het slot van de voorstelling breekt de zelfspot door. Dan maken ze een kolderiek nummer door op te scheppen over hun dappere houding onder het oude bewind, over de slimme metaforen die ze verzonnen om hun kritiek tussen de regels door te kunnen uiten. Die relativering ontbreekt elders; Meh & Weh zijn nog veel te druk bezig om in deze verwarrende tijden een houding te zoeken. Waarschijnlijk juist daarom heb ik gefascineerd naar hun optreden zitten kijken.