Wallage: geen afstel van basisvorming

DEN HAAG, 23 APRIL. Uitstellen maar zeker niet afstellen. Dat was de boodschap die staatssecretaris Wallage (onderwijs) vorige week naar de Tweede Kamer zond over de invoering van de basisvorming. Scholen in het voortgezet onderwijs hoeven niet in 1992 maar pas een jaar later het nieuwe, gemeenschappelijke programma van veertien vakken aan te bieden.

Om de vele sceptici over deze onderwijsvernieuwing niet in de kaart te spelen, constateerde Wallage tegelijkertijd dat de Tweede Kamer volgende maand ten langen leste zijn wetsvoorstel zal behandelen. Hij zei daarbij de steun van het CDA te verwachten. Hij kwam immers tegemoet aan het bezwaar van de christen-democraten dat hij wel erg hard van stapel liep met de invoering van de basisvorming.

Van harte gaf Wallage het uitstel niet. Na twintig jaar praten over hervorming van het voortgezet onderwijs versterkt elk uitstel immers het gevoel in de onderwijswereld dat ook deze vernieuwingsbui wel weer zal overwaaien. Vorige maand nog gaf Wallage dan ook niet thuis toen het CDA en de Onderwijsraad meldden dat een voorbereidingsjaar voor de invoering van veertien vakken veel te kort was.

Dat werd anders toen ook het vierkoppig team dat Wallage zelf had aangesteld om de basisvorming voor te bereiden, het tijdschema wat krap bleek te vinden. Wie nieuwe vakken zoals techniek en informatiekunde wil invoeren, moet voldoende tijd geven voor na- en bijscholing van leraren, vond het zogeheten projectmanagement basisvorming. Hetzelfde geldt voor de introductie van meer aandacht voor studievaardigheden.

Voor deze argumenten ging Wallage door de knieen, in de hoop daarmee de steun te vergroten voor de operatie waaraan hij zijn prestige heeft verbonden. De eerste reacties op de aankondiging van het uitstel zijn echter niet hoopgevend voor de bewindsman.

Dat bleek onder meer gisteren op een congres in Arnhem van de katholieke onderwijsbond KOV over de basisvorming. De irritatie onder voorstanders van de hervorming was groot. Weer duurt het langer voordat er redding komt voor het zieltogend lager beroepsonderwijs, was de teneur. Want als er een schoolsoort is waarvoor de basisvorming uitkomst moet brengen, dan is het het LBO wel. Gezien het snel dalend leerlingental hier is deze schoolsoort gedoemd tot uitsterven. Door het LBO op te nemen in brede scholengemeenschappen kunnen de onderwijskundige verworvenheden van het lager beroepsonderwijs worden gered door ze bijvoorbeeld in te zetten bij de invoering van het vak techniek in MAVO, HAVO en VWO.

Deze laatste schooltypen bedanken echter voor de eer. De meeste AVO-scholen staan niet te popelen het maatschappelijk laag gewaardeerde LBO in hun midden op te nemen, een houding die door het nieuwe uitstel ongetwijfeld wordt versterkt.

KOV-bestuurslid J. Roovers, maar ook de onderwijssecretaris van de werkgeversorganisatie VNO C. Renique, maanden Wallage dan ook om zijn voorzichtige houding te laten varen. Het KOV wil scholen financieel bestraffen die het LBO blijven buitensluiten. Renique opperde zelfs een wettelijke verplichting om samen te gaan in brede scholengemeenschappen.

Ook de tegenstanders van Wallages basisvorming hebben zich niet laten sussen door het nieuwste uitstel. Volgens G. Moll, voorzitter van het behoudende Nederlands Genootschap van Leraren, wil Wallage tegen de afspraken in alsnog de categorale structuur van het onderwijs doorbreken. Als alternatief voor het LBO-, MAVO-, HAVO- en VWO-examen stelt de staatssecretaris namelijk allerlei tussentijdse doorstromingsprogramma's voor naar leerlingwezen of MBO.Bovendien vreest Moll straks een overladen lesprogramma. Dat kunnen scholen volgens hem alleen aanbieden door hun klassen te vergroten, een maatregel die nog nooit op applaus van leraren heeft kunnen rekenen.