Vernieuwing ideeen is iets anders dan 'overlopen'

In de vernieuwing waaraan de PvdA werkt, gaat het om idealen. Hoe moeizaam dit proces zich voltrekt blijkt wel uit de serie critici uit de PvdA zelf, die deze weken op pagina 2 van deze krant aan het woord komen: meer aandacht dan de partij kreeg in betere tijden.

Journalisten ruiken eerder dan anderen dat veranderingen op komst zijn. En die critici doen hun mond niet open omdat zij hun partij op dit moeilijke moment onderuit willen halen, maar om de geesten bij de achterban, leden en kiezers, rijp te maken voor een andere PvdA.

Op 6 april ging H.A. van Wijnen op deze pagina in op een vraaggesprek met mij in Elsevier. Hij deed dit, terecht, onder de kop 'Idealen zoeken partij'.

Dat de tijd rijp is voor veranderingen in de PvdA is, na vijfenveertig jaar, geen schande, integendeel. Dat het te voorschijn komt op een dieptepunt in de kiezersaanhang en via allerlei vormen van kritiek op het huidig functioneren is voor de hand liggend. Als alles goed gaat, waarom zou je dan zinnen op iets nieuws?

Toen in 1971-1974 de discussie over de Progressieve Volkspartij tussen PvdA, D66 en PPR aan de orde was, ging het de PvdA en de PPR naar den vleze. Zij lieten de PVP, en D66, dan ook zitten. Toen het de KVP zeer slecht ging in de jaren na de Nacht van Schmelzer (1966), was de stemming zeer somber en sprak men serieus over deconfessionalisering tot een algemene partij, totdat de fusie met ARP en CHU tot het CDA (tijdelijk) redding bracht. Hetzelfde geldt voor de partijen die dit jaar in Groen Links zijn opgegaan.

Een partij is een tijdelijke organisatorische vorm waarbinnen een samenstel van politieke idealen wordt beleden, in programma's wordt omgezet, aan de kiezers wordt uitgedragen en telkens wordt geactualiseerd. De organisatorische vorm en aankleding, het taal- en symboolgebruik, en zelfs de politieke instrumenten om het ideaal te verwerkelijken (bijvoorbeeld nationalisatie) zijn betrekkelijk, al heeft traditie op dit punt samenbindende waarde, zelfs als die velen onder de aanhang niet veel meer zegt, zoals de C van CDA. Anders dan Van Wijnen veronderstelt, had mijn aanduiding van dit proces (in dat vraaggesprek verwoord als 'de wet van Jurgens') niet de opzet om over een nuchtere constatering van de eindigheid van specifieke partijvormen een wetenschappelijk sausje te gieten. Het was een poging tot ironie. Ironie wordt in het discours, althans zoals dat ten onzent pleegt te worden gevoerd, vaak letterlijk genomen. Dit is voor deze stijlfiguur dodelijk.

Het is van groot belang om bij een politieke stroming wel onderscheid te maken tussen onderliggende politieke idealen en tijdelijke verschijningsvorm. Er is in de politiek en in de media een gebrek aan conceptueel denken. Te velen die zich opwerpen als analytici of heelmeesters van een bekommerde PvdA (of, vorig jaar, van een verscheurde VVD, of straks van een tanend CDA) zien politiek vooral als een machtsspel van organisaties en personen. Alleen vanuit zo'n formele invalshoek kan Van Wijnen er toe komen mij een 'overloper' te noemen. Is dat een juiste aanduiding voor iemand die - met het oog op de vorming van een progressieve volkspartij links van het midden - vanuit de toenmalige KVP in 1968 de PPR hielp oprichten om een samenwerking met PvdA en D66 tot stand te brengen; die de PPR in 1982 verliet, toen de PPR niet een PVP maar kleinlinkse samenwerking bleek te zoeken (noch KVP, noch PPR bestaan nu nog...); en die in 1984 lid werd van de PvdA, de partij waarvan steeds had vastgestaan dat zij het grootste element in dit toekomstige PVP zou moeten zijn?

Waarom is juist de PvdA in staat om zich tot een Progressieve Volkspartij om te vormen - liefst met D66? Omdat met de 'doorbraak'

tot de PvdA in 1946 krek zo'n PVP bedoeld was, al is dat toen vanwege de na-oorlogse reconstructie van de confessionele partijen mislukt.

Zoals het in 1974 weer mislukte, mede omdat eind jaren zestig de dogmatiserende invloed van Nieuw Links een natuurlijke ontwikkeling richting PVP blokkeerde, terwijl de toenmalige partijtop te weinig weerwerk bood. Wie kiezers 'overlopers' noemt die hun politieke idealen blijven volgen, al gaan hun partijen een andere kant op, stelt de tijdelijke verschijningsvorm boven de inhoud. Waren SDAP'ers en leden van de Vrijzinnig Democratische Bond die in de PvdA samengingen, waren KVP'ers die in het CDA opgingen, waren PPR'ers die Groen Links omhelsden trouw aan hun uitgangspunten?

Nee, zij kozen voor een vernieuwing van hun organisatie, en van hun uitgangspunten. Wie dat niet kon volgen ging een eigen weg (zoals de oud-VDB'er Oud die in 1948 de PvdA verliet om met Stikker de VVD op te richten, terwijl andere VDB'ers in de PvdA bleven).

Het politieke discours over partijvernieuwing behoort dus te gaan over de uitgangspunten. Daarop behoort vervolgens de partijorganisatie te worden geijkt en niet omgekeerd. Dit wezenlijke debat wordt te weinig gevoerd, omdat gevestigde partijen vastzitten aan tradities en taboes.

Welke waarden moeten aan een moderne veranderingsgezinde partij ten grondslag liggen? Kan het zijn dat de nu algemeen aanvaarde politieke doelstellingen - produktiviteit, doelmatigheid en gelijkheid - moeten worden vervangen door vrijheid en rechtvaardigheid?

Welke gevolgen heeft dat voor werkgelegenheid, milieu en democratisch bestuur? Zulke vragen werpt bijvoorbeeld Coos Huijsen op, de voorzitter van de religieus-socialistische AG der Woodbrookers, in het inspirerende boek waarin hij de strijd aanbindt met het nutsdenken en het consumentisme en een pleidooi voert voor een orientatie op waarden (De PvdA en het von Munchhausen syndroom', pleidooi voor een progressief perspectief, Haarlem, 1990). Hij treedt hiermee in het voetspoor van zijn grote voorganger bij de AG, Willem Banning die zich op dezelfde wijze inzette voor de SDAP in de jaren dertig en die de beginselprogramma's van de PvdA van 1946 en 1959 redigeerde. Het toen gangbare personalisme van Mounier en De Rougemont inspireerde Banning tot een ethisch en niet-collectivistisch socialisme, dat zich afzette tegen marxisme en arbeiderisme. Maar, anders dan in 1937 en 1946, lijkt de aandacht voor het zoeken van op waarden betrokken, kader gevende politieke uitgangspunten in onze dagen te worden ondergesneeuwd door politiek-tactisch en partij-organisatorisch gekibbel over de korte termijn.

Dat is op zichzelf begrijpelijk. Onze parlementaire democratie is immers zozeer een 'particratie' geworden (zoals J.W. Oerlemans op 14 februari en 17 april 1990 welsprekend in deze kolommen heeft verdedigd), wordt zozeer bepaald door het functioneren van politieke partijen en fracties als machtscentra, dat het te veel gaat over de vraag of de partijen nog goed meespelen in het machtsspel, en te weinig over de waarden die zij moeten dienen. Terwijl tot die waarden juist ook democratie, participatie en burgerschap behoren, zoals Van Wijnen terecht benadrukte.

Niemand praat over 'opheffen' van de PvdA. Zeker ik niet, hoewel Van Wijnen mij dit zonder citeerplaats in de mond legt. Het gaat over wedergeboorte van de aan de PvdA ten grondslag liggende, nog steeds wezenlijke waarden. Het gaat over vernieuwing van de vorm waarin deze aan de kiezers worden gepresenteerd. Het gaat over een blijvende bijdrage, vanuit een aloud gedachtengoed, aan de loutering van onze democratie. Niet minder.

Als Van Wijnen mij de profeet Ezechiel voorhoudt, omdat ik uit zou zijn op de ondergang van mijn eigen huis, zou ik hem aan de apostel Paulus aan de Romeinen willen herinneren: “We weten toch, dat heel de schepping zucht en kreunt in barensweeen tot heden toe?”