Te hoge aanslag fiscus even strijdig met het recht als een te lage

Het optreden van de fiscus ligt onder vuur. In de belastingcolumns van Aertjan Grotenhuis komt bij herhaling naar voren hoe deskundigen kwalificaties geven die er niet om liegen. Wie de ontwikkelingen in de afgelopen jaren beziet, komt tot de conclusie dat de fiscus terecht tegen een aantal diskwalificaties is aangelopen.

De eerste was de constatering door de rechter dat de belastingdienst zich in een aantal gevallen onvoldoende hield aan gedane toezeggingen en daarmee onbehoorlijk bestuurde. Sindsdien worden beslissingen van de belastingdienst met een zekere regelmaat gecorrigeerd wegens overtreding van de grenzen die aan een tolerabel bestuur moeten worden gesteld. Dergelijke uitspraken worden niet alleen door de belastingrechters gedaan, maar bijvoorbeeld ook door de parlementaire Vaste Commissies voor de Verzoekschriften. Men oppert nogal eens dat de 'politiek' ieder optreden van de belastingdienst goedkeurt als het maar belastingcenten oplevert, maar dat is onjuist. Voorts constateert de Nationale ombudsman regelmatig dat door de belastingdienst onbehoorlijk is bestuurd. Nu moet ik toegeven dat ook in fiscale zaken 'schending van beginselen van behoorlijk bestuur' een zodanige juridische inhoud heeft gekregen dat het verwijtbare element, dat het zonder twijfel bevat, wat naar de achtergrond is gedrongen. De belastingdienst maakt dan ook niet de indruk zich erg in te spannen om te voorkomen dat hem onbehoorlijk bestuur wordt verweten.

Recenter is het verwijt aan de belastingdienst dat hij de mensenrechtenverdragen schendt. Dat heeft voornamelijk betrekking op de manier waarmee de belastingdienst omgaat met zijn recht om administratieve boeten op te leggen. Hij kan echter ter verontschuldiging aanvoeren dat het hem tot voor kort in het geheel niet duidelijk was dat hij die verdragen schond. Dat is op zichzelf juist, zelfs de wetgever en de Hoge Raad wisten dat niet. Het is echter vreemd dat hij, nadat dit wel duidelijk was geworden, niet royaal op zijn schreden is teruggekeerd. Sancties die niet volgens de regelen der kunst zijn opgelegd, vernietigt de belastingdienst niet spontaan, maar slechts als de rechter dat beveelt. Deze beveelt dat echter alleen als zo'n aangelegenheid hem kundig wordt voorgelegd. Hij doet dat soms ook als met een proces wordt gedreigd.

Langzamerhand wordt duidelijk dat een te hoge aanslag in beginsel even strijdig is met het recht als een te lage. De belastingdienst wordt nu aangevallen met de opvatting dat een te hoog opgelegde aanslag een produkt van een onrechtmatige overheidsdaad is. In deze krant meldde Grotenhuis onlangs dat de raadsheer van het Amsterdamse Gerechtshof, mr. Groeneveld, het standpunt deelt dat in beginsel iedere te hoog opgelegde aanslag een onrechtmatige daad oplevert. Dit standpunt wordt weliswaar door de belastingdienst bestreden, maar de argumenten voor zijn sterk. Daar komt bij dat door de belastingdienst nogal vlot van ingediende aangiften wordt afgeweken en met een zekere regelmaat wordt doorgeprocedeerd tot bij de Hoge Raad over zaken waarin hij uiterst zwak staat. Nog niet zo lang geleden heeft mijn Tilburgse collega prof. dr. Van Dijck zich daar nog eens bijzonder kwaad over gemaakt.

Er ontstaat een zekere communis opinio dat de belastingdienst in zijn ijver zijn wettelijke opdracht te realiseren nog al eens over de schreef gaat.

Dr. Nobel heeft een vierde fase ingeluid in de karakterisering van verwijtbaar gedrag van de belastingdienst. Voor zover mij bekend is hij namelijk de eerste die heeft geoordeeld dat de belastingdienst bij de realisatie van zijn legale taak regelmatig ambtsmisdrijven begaat.

Van gedrag dat in strijd is met het administratieve recht zijn wij, via strijdigheid met de mensenrechtenverdragen en strijd met het civiele recht, tterechtgekomen bij crimineel gedrag. Als ik het goed heb begrepen constateert hij voornamelijk knevelarij.

De vraag is wat wij met Nobels bewering aanmoeten. Als voorbeeld van slecht gedrag van de belastingdienst, geinitieerd door zijn politieke leiding, noemt hij onder meer de 'circulaire' over de behandeling van commanditaire vennootschappen. Die 'circulaire' is destijds door de toenmalige politieke leiding van de belastingdienst in een wat rellerige sfeer uitgevaardigd naar aanleiding van de juridische structuur die aan Hotel Barbizon Palace was gegeven.

Ik heb voor die 'circulaire' nooit een goed woord over gehad en alle daarin verwerkte vondsten zijn inmiddels door de rechter verworpen.

Het is derhalve een uitstekend voorbeeld. Het stuk is namelijk nooit ingetrokken en speelt in de belastingpraktijk nog steeds een rol. Het zou zich dus lenen voor een strafrechtelijke proefprocedure. Wie moet dan gedagvaard worden: de voormalige minister van financien, zijn staatsecretaris, de directeur-generaal, de inspecteur die de circulaire toepast? Vooralsnog moet alleen de vraag worden beantwoord hoe serieus de bewering moet worden genomen dat de belastingdienst zich bij het realiseren van zijn legale taak van ambtsmisdrijven bedient. Deze vraag is belangrijk omdat de hiervoor behandelde verwijten aan de belastingdienst alle in de fiscaal-juridische praktijk worden gehanteerd. Bovendien moet de vraag worden beantwoord, omdat Nobel een gewichtige rol speelt in de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs.

    • J.F.M. Giele