Splinters meditatieve muziek

Componistenportret van Klaus Huber. Concerten door Ensemble Recherche, Radio Kamer Orkest onder leiding van Lucas Vis met Christina Ascher (mezzosopraan) John Carden (countertenor) en Thom de Ligt (contrabas). Gehoord: 18-21-4 in Bethanienklooster, Beurs van Berlage en de IJsbreker, Amsterdam.

Wat een prachtige omgeving, dat Bethanienklooster in Amsterdam, voor de door de religie en politiek engagement getekende kamermuziek van Klaus Huber, de centrale figuur in een vierdaags festival van Gaudeamus en NOS-radio.

Van het vrouwenklooster Sinte Maria Magdalena in Bethanien is de noordvleugel langs de Barndesteeg bewaard gebleven, achtereenvolgens ingericht als woning, herberg, kerk, timmerfabriek en sinds kort als muziekzaal: een ruimte van twintig meter lang, zeven hoog en zeven breed, onder een vijf eeuwen oud plafond van moerbalken, kinderbinten en korbeels. Een stijlvol ogende en akoestisch bruikbare zaal voor zo'n honderdtwintig luisteraars.

Voor Huber kwamen er aanmerkelijk minder, want door een verkeerde berichtgeving was een aantal geinteresseerden blijven hangen bij het Stedelijk Museum. Eigenlijk was dat wel typerend, want Hubers muziek mist elke glamour, is concessieloos en heeft nauwelijks een publiek.

Zijn muziek toont verwantschap met die van Zimmermann, Nono en Dallapiccola, maar is introverter en nog meer versplinterd.

Dat introverte karakter werd nog eens onderstreept door het zeven jaar jonge Ensemble Recherche uit Freiburg. Het bezit een kern van strijkers, wat opmerkelijk is, omdat avantgardisten meestal met blazers en slagwerkers werken. Hubers kamercantate Auf die ruhige Nacht-Zeit uit 1958, een reeks van fijne miniaturen, en zijn vrij enigmatische strijktrio Des Dichters Pflug (1989) in memoriam Ossip Mandelstam klonken wel heel introvert. Het strijktrio is echte 'schaduw'muziek, waarin verfijnde klanken een enkele maal een verrassend contrapunt vinden in krasserig bijgeluid, want vanaf ongeveer 1984 ziet Huber het als belangrijkste opgave om tegenstellingen te verbinden.

Veel beter slaagde de fellere uitvoering van de cantate Fragmente aus Fruhling (1987) in memoriam Szymanowski, waarin de viool krasserige naklanken tegen de piano plaatst en Huber vooral uit was op polyritmische pulseringen. Dit synotane ritmespel werd ook opgenomen in het groter opgezette declamatorium La Terre des Hommes (1987-1989) in memoriam Simone Weil als tweede van de zes delen onder de titel Sept Fragments sur la Pauvrete au travers de 21 fenetres.

Opmerkelijk is de bezetting voor mezzosopraan, countertenor en slechts zeven blazers, vijf strijkers, gitaar, piano, cimbalum en slagwerk.

Het werk klinkt soms frappant dicht orchestraal maar blijft zelfs dan in zijn meest felle 'schreeuwen' toch doorzichtig, want Huber instrumenteert geraffineerd en met smaak. Hij weet te woekeren met een enkele klank van bij voorbeeld een huilende viooltoon. Fascinerend werken vooral de microtonen die in allerlei soorten voorkomen.

Als een mengvorm tussen documentaire declamatorium en cantate heb ik echter zo mijn bedenkingen: die techniek verbrokkelt Hubers miniatureske taal meer dan nodig is. Een tekst van Mandelstam uit Des Dichters Pflug ('snijdt mijn hart aan scherven van diepblauw klokgebeier') staat ook nu weer (in de epiloog) centraal en resulteert in breekbare timbres. Want wat Huber ook schrijft, daar loopt het steeds weer op uit: ingekeerde meditaties die zich niets aantrekken van het gebruikelijke concertritueel dat spanning en beweging verlangt.

Zo moest op de laatste dag de uitvoering van Ein Hauch von Unzeit wel een hoogtepunt worden. Het werd formidabel vertolkt door accordeoniste Caroline Schmutz, een groot talent. Ein Hauch von Unzeit ontstond in 1972, maar Huber bleef er aan werken in alle mogelijke versies tot in 1989 toe. De opzet: een klacht over het verlies van muzikale reflectie op basis van Purcells chaconne uit Dido and Aeneas. In Ein Hauch von Unzeit sterft de melodie weg, het geruis van de balg overwint Purcells muziek, richting en tijd raken zoek, er ontstaat een soort van blinde muziek, een vreemd rondtasten. De muziek als vluchtigste van alle kunsten, dat is in feite wat Huber waarmaakt.

    • Ernst Vermeulen