Publieke ministers-beediging ontbloot de Kroon

Bij de behandeling van de wetsvoorstellen voor de eedsaflegging en inhuldiging van de Koning en de beediging van de ministers heeft het Tweede Kamerlid Wiebenga (VVD) geopperd om, naar analogie van de eedsaflegging door Kamerleden in de Kamer en bij de inhuldiging, ook die van de ministers in het openbaar te doen plaatsvinden.

Uit dit voorstel en de reacties daarop blijkt dat men zich nauwelijks meer rekenschap geeft van de middeleeuwse wortels van de inhuldigingsceremonie en dus van het koningschap.

Bij de keuze in 1814 en 1815 voor een monarchie onder het Huis Oranje-Nassau heeft men in de formulering van de Grondwet op dat punt bewust en met zoveel woorden aansluiting gezocht bij de landsheerlijke verhoudingen in de Nederlanden zoals die nog onder Karel V en Philips II bestonden. Dus is noodzakelijk om voor de juiste interpretatie van de formulering van de eden van Koning en Staten-Generaal verder terug te gaan dan 1814.

Het erfelijk koningschap in Nederland is oorspronkelijk zo ingericht, dat elke nieuwe Koning zich in persoon aan de Grondwet bindt, waarna de leden van de Staten-Generaal zich aan de persoon van de nieuwe Koning binden. De oorsprong van deze constructie is gelegen in het vroegmiddeleeuwse feodale stelsel, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de koning, cq. keizer, hertog, graaf, etcetera, als instituut en als persoon. Bij het erfelijk koningschap gaan alle koninklijke rechten, als horend bij het instituut koningschap, automatisch over op de nieuwe koning.

Daarentegen moeten tussen de persoon van de nieuwe koning en de onderdanen cq. leenman, steden, staten, staten-generaal, opnieuw de wederzijdse verplichtingen worden vastgesteld. Ernst H. Kantorowicz spreekt in zijn gelijknamige studie over middeleeuwse politieke theologie van 'the king's two bodies' (Princeton, New Jersey: 1957).

Philips II werd door de Staten-Generaal aangeschreven als 'Ons erfelijk Prince en Heere', dat wil zeggen erfelijk Prince als zoon van Karel V, en Heere als feodaal heer, door wie de aloude privileges bevestigd moesten worden bij de inhuldiging. Dat de Staten zeer zorgvuldig omgingen met deze begrippen, blijkt uit het misbaar dat zij maakten, toen de Spaanse kanselarij abusievelijk sprak van 'Prince en Erfheere': verplichtingen vererven niet, maar moeten telkens opnieuw worden vastgesteld.

Deze dualiteit ligt nog steeds ten grondslag aan ons huidige koningschap en is tot uitdrukking gebracht in de formulering van de inhuldigingseed: “Wij ontvangen en huldigen U... als Koning...”.

Ontvangen betekent erkennen als opvolger op grond van erfrecht, waarmee gerefereerd is aan de grondwettelijke continuiteit van het instituut koningschap; huldigen betekent trouw zweren aan de persoon van de nieuwe Koning als tegenprestatie voor diens eed van trouw aan de Grondwet. Deze inhuldiging heeft geen constitutieve betekenis voor het aanvaarden van het koninklijk gezag: dit gaat automatisch over op de nieuwe Koning. Wel wordt de voorwaarde geschapen voor de samenwerking tussen de regering, dat wil zeggen Koning en ministers, en de Staten-Generaal. Pas na de inhuldiging is de regering formeel gerechtigd beroep te doen op de medewerking van de Staten-Generaal.

Koning Willem II opende in 1840 als nieuwe Koning het parlementaire jaar voordat hij was ingehuldigd. Bezien in het licht van de traditie lijkt dit onjuist, omdat de Koning om 'raad en daad' kwam vragen zonder zich te hebben vastgelegd met betrekking tot het eerbiedigen van de Grondwet.

In het moderne staatsrecht wordt evenwel gesteld, dat ook de eed die men voornemens is te zweren, bij voorbaat gehouden dient te worden. En zo zijn wij beland bij de eed of de belofte van de ministers. In het voorstel van de heer Wiebenga wordt de beediging van de ministers op een lijn gezet met die van de leden van de Staten-Generaal. Daartoe geeft de unificatie van de eedsformules in het voorliggende wetsvoorstel dan ook aanleiding.

Echter, de eden die ministers en Kamerleden afleggen, horen verschillend van karakter te zijn. De leden van de Staten-Generaal zijn gekozen volksvertegenwoordigers. Zij leggen daarom bij hun installatie in het openbaar een zuiveringseed af, waarna tot dusver alleen de eed van trouw aan de Grondwet volgde. Deze eed houdt tevens instemming in met het instituut koningschap.

Bij een troonswisseling, eens in de zoveel jaar, zweren de dan zittende leden van de Staten-Generaal tevens een eed van trouw aan de persoon van de nieuwe Koning; ook in het openbaar, want zij vertegenwoordigen immers het Nederlandse volk. Omdat door deze eed elke Nederlandse staatsburger zich aan de persoon van de Koning gebonden mag achten, hoeft de volksvertegenwoordiger die na de inhuldiging wordt geinstalleerd, niet nog eens de eed van trouw aan de persoon van de Koning af te leggen.

Ministers daarentegen staan echter in geheel andere verhouding tot de Koning. Dit werd tot dusver tot uitdrukking gebracht in de formulering van de ministerseed: “Ik zweer trouw aan de Koning en aan de Grondwet...”. Hiermee wordt de persoon van de Koning bedoeld, want trouw aan de Grondwet geldt immers alleen het instituut koningschap.

Die persoonsgebonden eed is van groot gewicht, omdat de ministers verantwoordelijk zijn voor de daden van de persoon des konings en de Koning als het ware tegen hemzelf beschermen.

In 1983 kwam in de omschrijving van de eed van de ministers in de Grondwet - het eedsformulier zelf was in de additionele artikelen opgenomen - de 'getrouwheid aan de Koning' te vervallen omdat, zoals ten onrechte in de toelichting werd gesteld, in 'trouw aan de Grondwet' de 'trouw aan de Koning' zou zijn besloten.

In dit verband kan erop gewezen worden dat ministers bij de inhuldiging geen eed afleggen. Zij vertegenwoordigen bij die gelegenheid 'de regering', waarvan de Koning zelf deel uitmaakt. Bij overlijden of abdicatie van de Koning hoort het kabinet dan ook zijn ontslag in te dienen om direct daarna door de nieuwe Koning te worden beedigd. In oorsprong waren ministers 'dienaren' van de Koning, zoals het woord zegt. Daarom zitten sedert 1984 op Prinsjesdag de ministers in de Ridderzaal weer naast de troon in plaats van ertegenover. Om de verhoudingen binnen het Nederlandse 'Theater van Staat' ook permanent zichtbaar te maken, valt veel te zeggen voor representatie van de Koning in de nieuwe vergaderzaal van de Tweede Kamer. Er zou een portret van Hare Majesteit de Koningin of het rijkswapen, tevens het Koninklijk wapen, achter de regeringstafel opgehangen kunnen worden.

Dit alles in aanmerking genomen is de eedsaflegging van de ministers een intieme kwestie tussen de persoon van de Koning en de ministers, waarbij de eenheid van 'de regering' tot stand wordt gebracht. Deze plechtigheid kan zonder bezwaar achter gesloten deuren plaats blijven vinden, evenals de ontslagaanvraag. Bij een openbare, door de televisie geregistreerde installatie is noch de democratie, noch de bestuurlijke openheid gebaat, hoogstens de familie-videotheek van de betrokken ministers.

De huidige Europese monarchieen zijn in wezen archaische instellingen. Ook in ons land zijn in een eeuwenlang proces de nadelen geelimineerd.

Juist daarom mag het Nederlandse koningschap als modern worden beschouwd. Wat er aan functioneel historische karakteristieken bewaard is gebleven, moet worden gekoesterd om de simpele reden dat anders de koning geen Koning meer is.