Monument

Er moet een Monument voor de democratie komen. Een geschenk van de minister van WVC aan de volksvertegenwoordiging. Het zal komen te staan op een klein pleintje bij het nieuwe gebouw voor de Tweede Kamer. Als het doorgaat tenminste. Niet alle volksvertegenwoordigers zijn blij met het geschenk. Ik ook niet. Ik schrok zelf van de holle vreugdeloze lach die me ontglipte toen het bericht me werd voorgelezen. Hoe zou het komen dat ik niet dankbaar kon zijn voor dit zeldzame regeringsgeschenk?

Je zou je kunnen voorstellen dat het kwam doordat de gedachtenassociatie met een monument voor een geliefde dode zo voor de hand ligt. De berichten van het ziekbed van de parlementaire democratie zijn niet bemoedigend. Op de regelingen in het verenigde Europa heeft het parlement weinig invloed. Binnenslands wordt zelden iets belangrijks beslist op grond van argumenten die in een boeiend Kamerdebat worden uitgewisseld. Adviescommissies, overlegorganen en pressiegroepen hebben meer invloed op de besluitvorming dan de volksvertegenwoordiging. Aan de kunstenaar worden door bestuurders soms hypergevoelige antennes toegeschreven. Het onverstaanbare gebrabbel van de tijdgeest is voor hem klare taal. Zou het kunnen dat de minister van WVC in een aanval van krankzinnig avant-gardisme had besloten om het doodsbericht van de parlementaire democratie door een kunstenaar te laten uitspreken en was ik daardoor zo somber gestemd?

Nee, dat was het niet. Zoveel vooruitstrevendheid valt van het ministerie gelukkig niet te verwachten.

Het was meer door de zelfingenomen verwatenheid die blijkt uit de oprichting van een monument voor de democratie. Het geeft geen pas, vind ik, zoveel demonstratieve tevredenheid over de eigen staatsvorm.

Als een politicus de democratie feliciteert, feliciteert hij zichzelf. Nederland wordt slecht bestuurd. Andere landen misschien ook, maar van Nederland weten we het zeker. Wordt er geklaagd over slechte wetten, dan troost de politicus ons door er op te wijzen dat het in ieder geval democratische wetten zijn. Wil niemand meer op hem stemmen, dan is het een aanslag op de democratie. Zet een incompetente knoeier en een opportunistische leugenaar op een podium en ze zullen meteen een wedstrijd beginnen wie er het plechtigst kan stikken in het woord democratie.

In de krant van zaterdag beschreef wetenschapsredacteur Warna Oosterbaan hoe het monument er uit komt te zien. Ik kreeg de indruk dat ook hij een lach moeilijk had kunnen onderdrukken, maar hij hield zich goed. Uit het krabbeltje dat de Grieks-Italiaanse kunstenaar Jannis Kounellis heeft ingeleverd als 'ontwerp voor het Monument voor de democratie' zou je kunnen opmaken dat er een maquette van een ouderwetse stoomboot bij het nieuwe parlementsgebouw geplaatst zal worden, maar dat is een misverstand. Wat wel? “Een zeven meter hoog onderstuk van gietijzeren platen, waarin teksten uit de Grondwet zijn afgegoten. Daarop een stalen korf die is gevuld met brokken steenkool.” Teksten uit de Grondwet. Stel je voor, een universiteit richt een monument voor de wetenschap op. Op de sokkel wordt E=mc uitgehouwen. Je zou meteen weten dat de universiteit in Madurodam of Disneyland stond, of dat het een malafide Amerikaanse universiteit was waar je voor een bescheiden bedrag je doctorsbul kan kopen. Het getuigt niet van een wetenschappelijke geest om natuurkundige formules als heilige teksten in een beeld te houwen. Het getuigt mijns inziens ook niet van een democratische gezindheid om grondwetsteksten in een monument af te gieten.

Dat het een kolfje naar de hand van Kounellis zou zijn kan geen verwondering wekken. Ik herinner me een interview in het weekblad Elsevier waarin hij ronkte over Homerus, Dante en de Europese beschaving. Toen kwam zijn vrouw er even tussen. Ze zei, je moet niet denken dat hij ooit een boek heeft gelezen, hoor. De laatste twintig jaar in ieder geval niet. Aardige vrouw.

Bij afwezigheid van Kounellis was het museumdirecteur Rudi Fuchs die het monument voor ons moest duiden. Het staal en de steenkool waren de symbolen van de industriele revolutie, waarmee de mens zijn lot in eigen handen had genomen en autonoom ten opzichte van het Opperwezen was komen te staan. Het begin van de democratie. Wel toevallig.

Kounellis is voortdurend bezig om overal ladingen steenkool de musea binnen te slepen. Hij heeft vast nog wel een paar mud in zijn atelier staan. Het komt wel heel goed uit dat het nu opeens een symbool van de democratie blijkt te zijn. Lang geleden was er een Nederlandse filmregisseur die een pornofilm had gemaakt. De film werd verboden door de Keuring. De regisseur schreef een geleerd essay, waarin hij uitlegde dat zijn pornofilm gezien moest worden als een illustratie van het boek De toekomst der religie van Simon Vestdijk. De film werd toen wel toegelaten en had veel succes. Wat een slimme regisseur was dat. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Rudi Fuchs even slim heeft willen zijn.

Als je zijn uitleg serieus neemt, zou het betekenen dat er in Den Haag een monument wordt opgericht voor de slachtoffers van Verlichting, democratie en industriele revolutie. IJzer en steenkool, de gruwel van de mijnen. Er zou eigenlijk een enorm uitvergrote stoflong op het onderstuk moeten worden gezet, voor de duidelijkheid.

De verleiding is groot om je eigen monument voor de democratie te bedenken. Fuchs verbindt de democratie met de Franse revolutie. Dat wordt wel meer gedaan, maar het kan ook anders. Een democratische purist zal eerder aan de invoering van het algemeen kiesrecht denken en een liefhebber van de vaderlandse traditie aan de Tachtigjarige Oorlog. Dat laatste bevalt me nog het best. Waarom geen enorme haring voor het nieuwe parlementsgebouw, ondersteund door een geweldig wittebrood? Of een gigantische bril (door de beslagen glazen zien de aangenaam verraste bezoekers een fontein klateren) op een dukdalf.

Het lukt niet erg, er rust geen zegen op de symbolische verbeelding van de democratie. Het wordt belachelijk of het heeft iets sinisters, zoals het ontwerp van Kounellis. Er mag wel een mooi beeld bij het nieuwe parlementsgebouw komen. Het Monument dat men in gedachte heeft is een monument dat opscheppers voor zichzelf oprichten. Tien meter hoog is het ongeveer. De democratie bevindt zich lager, op ooghoogte.

Het beeld zou wat kleiner moeten zijn, licht en doorzichtig. Dat is symboliek genoeg, uitgehouwen of afgegoten grondwetsteksten zijn niet nodig.