Martens deelt Nederlandse bezwaren

De Belgische minister-president windt er geen doekjes om in zijn betoog (NRC Handelsblad, 16 april): de plannen voor een buitenlands- en defensie-beleid, alsmede voor een monetaire unie die thans in Parijs en Bonn leven, vormen een gevaar voor de Europese integratie zoals die in de bestaande Europese verdragen vorm heeft gekregen.

Deze verdragen gaan uit van een grote unitaire Gemeenschap, waarin dezelfde organen beslissen over alle aan de orde komende vraagstukken waarvoor de Gemeenschap zich ziet geplaatst. De huidige Frans-Duitse voorstellen - die voor een deel door Londen lijken te worden gedeeld - zouden daarentegen de Gemeenschap fragmenteren: naast de bestaande Gemeenschap met haar taken zou er een tweede Gemeenschap komen, voor buitenlandse politiek, defensie en monetair beleid, waarin de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders de toon zou aangeven. Die Raad zou voor de betrokken onderwerpen bovendien niet worden gecontroleerd door het Europese Parlement, maar door een 'Congres' van nationale en Europese parlementariers. Daarnaast zou ook nog een derde Gemeenschap zich bezighouden met de intergouvernementele samenwerking.

Martens stelt daar tegenover dat de Gemeenschap bevoegd moet zijn voor het geheel van haar externe betrekkingen, niet alleen voor de economische, maar ook voor die op het gebied van diplomatie, politiek en veiligheid. En voorts meent hij dat de Gemeenschap daarvoor een enkel beslissingscentrum moet scheppen. Want alleen dan, zo zegt hij, zal de Gemeenschap bij machte zijn de vereiste coherentie te produceren en zo de verwachtingen in te lossen die in haar worden gesteld.

Boeiend is dat Martens niet volstaat met het afkeurend constateren van dit streven naar fragmentatie van de Gemeenschap, maar ook de vraag opwerpt wat ertegen kan worden gedaan. Naar zijn mening is hier een taak weggelegd voor de kleinere lid-staten om het globale, ondeelbare, in principe allesomvattende karakter van de Gemeenschapsfinaliteit te benadrukken. Waarbij hij de Beneluxlanden (“waarom niet?”) uitdrukkelijk noemt. Hij komt daarop in zijn slotzin terug: “De Beneluxlanden zijn goed geplaatst om deze denkbeelden te verdedigen: het ligt in onze Europese traditie, samen vormen wij een groep landen die echt meetelt, en wij kunnen er de politieke wil voor opbrengen.

Laten wij dus de handen aan de ploeg slaan''.

Boeiend is die oproep van Martens voor Benelux-samenwerking omdat hier weer aansluiting wordt gezocht bij een constellatie zoals die in de jaren zestig heeft bestaan. Toen hadden de Gaulle (en Adenauer) de staatshoofden en regeringsleiders der overige vier lidstaten van de toenmalige Gemeenschap der Zes (de Beneluxlanden en Italie) voor het eerst geconfronteerd met voorstellen om de Gemeenschap van haar federale perspectief te ontdoen en haar verdere ontwikkeling in intergouvernementele zin om te buigen. De heren hadden maar hun handtekening te zetten onder een door Parijs en Bonn uitgewerkt ontwerp.

Op dat ogenblik was het alleen de Nederlandse regering, bij monde van minister Luns, die weigerde te tekenen, waardoor het plan werd geblokkeerd. Daarna is er nog een jaar onderhandeld over gewijzigde voorstellen voor een ombuiging van de integratie-koers. Maar in april 1962 moest worden vastgesteld dat de tegenstellingen tussen de diverse standpunten over de politieke unie onoverkomelijk bleken en de besprekingen moesten worden afgebroken. Nederland en Belgie hadden namelijk als voorwaarde voor de voortzetting van het gesprek over een dergelijke intergouvernementele politieke unie gesteld, dat Groot-Britannie daarbij moest worden betrokken. En daartoe was de Gaulle uiteraard niet bereid, want hij wenste een uitsluitend continentale unie.

Tien jaar later, op de Parijse topconferentie van 1972, de eerste waarbij ook Groot-Britannie als aankomend lid der Gemeenschap betrokken was, bleek van die Nederlands-Belgische eensgezindheid geen sprake meer te zijn. Integendeel. Ondanks de Nederlandse bezwaren tegen deze term verklaarde de toenmalige Belgische premier, Eyskens, er geen bezwaar tegen te hebben nieuwe verplichtingen op weg naar de Europese eenheid als 'confederatie' (een woord uit het gaullistische vocabulair) aan te duiden. En het was Eyskens die op deze top de nieuwe doelstelling lanceerde om tot 1980 een 'Europese Unie' te vormen, waarin het geheel van de betrekkingen tussen de lidstaten moest worden ondergebracht. (De Belgische minister van buitenlandse zaken, Tindemans, kreeg in 1974 de opdracht deze gedachte nader uit te werken.)

Gezien tegen deze achtergrond is het een zeer opmerkelijk feit, dat de huidige Belgische premier zo scherp verzet aantekent tegen de wijze waarop Parijs en Bonn thans gestalte willen geven aan het denkbeeld van een Europese Unie, waarvan de Europese Politieke Unie en de Economsiche en Monetaire Unie immers voorname bouwstenen zullen zijn.

En in elk geval bewijzen de woorden van Martens, dat Nederland met zijn verzet tegen deze plannen van Parijs en Bonn niet zo volstrekt alleen staat als sommige critici van het Nederlandse beleid ons willen doen geloven.