Lidstaten houden tellingen in opdracht van EG

ROTTERDAM, 23 APRIL. Groot-Brittannie volgt met zijn telling een EG-richtlijn uit 1987, volgens welke de 12 lidstaten tussen 1 maart en 31 mei van dit jaar een volkstelling moeten houden.

Dat de tellingen in dezelfde periode worden gehouden is een van de voorwaarden om de statistische gegevens van de landen vergelijkbaar te maken. Eurostat, het bureau voor statistiek van de Europese Gemeenschap, voert regelmatig overleg met de nationale bureaus voor statistiek over welke gegevens op welke manier kunnen worden bepaald en aangeleverd. Binnen de EG worden in elk eerste jaar van elk decennium volkstellingen gehouden.

Belgie, Luxemburg en Spanje hielden hun volkstelling meteen op 1 maart van dit jaar. Griekenland deed dat op 17 maart en Portugal op 15 april. Voor Frankrijk en Italie is in de richtlijn een uitzondering gemaakt: Frankrijk telde op 5 maart vorig jaar zijn bevolking, Italie doet het in oktober dit jaar.

Nederland, Duitsland en Denemarken houden geen klassieke volkstelling. Artikel 3 van de richtlijn staat landen toe de vereiste gegevens op andere manieren te verzamelen. Denemarken doet dat door allerlei computerbestanden aan elkaar te koppelen. Omdat elke Deen een persoonsnummer heeft, zijn de gegevens van een persoon uit verschillende bronnen gemakkelijk aan elkaar te koppelen. Duitsland hield enkele jaren geleden een volkstelling en vult die gegevens jaarlijks aan met zeer grote steekproeven, de zogeheten Mikrocensus.

Nederland haalt een deel van de gegevens uit registertellingen, zoals de cijfers over de samenstelling van de bevolking. Die komen uit de burgelijke stand, die bijvoorbeeld Frankrijk niet heeft. De registertellingen worden door het CBS aangevuld met steekproeven.

De laatste keer dat Nederland een volkstelling hield was in 1971. Onder invloed van het verzet onder de bevolking ging die van 1981 niet door. Een voorstel tot intrekking van de volkstellingswet, op grond waarvan burgers verplicht waren aan een volkstelling mee te werken, is aangenomen door de Tweede Kamer en in behandeling bij de Eerste Kamer.

De gemengde samenstelling van de bevolking maakt Bosnie-Herzegovina moeilijk bestuurbaar. Bij de vrije verkiezingen werd de communisten een zware nederlaag toegebracht en wonnen de democratische partijen die zich op etnische basis hadden georganiseerd: men stemt in Bosnie toch het liefst op de 'eigen' partij, die van de moslims, die van de Serviers en die van de Kroaten. Deze partijen vormden vervolgens een wankele coalitieregering. President werd Alia Izetbegovic, een moslim en ex-politiek gevangene.