Ledental bond belangrijkste norm subsidie

PAPENDAL, 23 APRIL. De georganiseerde Nederlandse sport heeft gisteravond ingestemd met de nieuwe vorm van overheidssubsidie die ze echter “in essentie nog steeds niet acceptabel vindt”. Een grote meerderheid van de bonden schaarde zich op een buitengewone ledenvergadering van de Nederlandse Sport Federatie in Papendal achter een voorstel dat het resultaat is van drie jaar onderhandelen. Het betekent dat met ingang van 1992 het ledental van een bond de belangrijkste norm is bij de verdeling van de zestien miljoen gulden die het ministerie van WVC jaarlijks uittrekt als bijdrage in de organisatiekosten.

Bij de introductie in 1988 van de budgetfinanciering, zoals de subsidieregeling officieel heet, werd het aantal leden van een sportorganisatie als het enige objectieve criterium beschouwd voor het vaststellen van een nieuwe verdeelsleutel. Tot nog toe werd de hoogte van het bedrag bepaald op basis van de exploitatiekosten van elke organisatie afzonderlijk. De nieuwe normering betekende echter in een aantal gevallen zo'n sterke teruggang in de hoogte van de overheidsusbidie dat ernstige gevolgen dreigden voor enkele grote organisaties.

Daardoor kwam de sportbonden met een tussenvoorstel waarin het ledental slechts voor driekwart zou tellen en voor 25% de oude norm werd gehanteerd. Bovendien werd in de sportbegroting van WVC door het schrappen van posten met een lage prioriteit 1,4 miljoen vrijgemaakt waarmee voor de grootste dalers de scherpste kantjes van de nieuwe regeling werden afgevijld.

De NSF heeft van minister d'Ancona de “keiharde toezegging” gekregen dat het hier om een structurele bijdrage gaat, maar vice-voorzitter Jan Berteling van de Sport Federatie wees erop dat de gevolgen van de tussenbalans die toezegging nog zouden kunnen doorkruisen. “Als dat zo is gaan we stennis maken”, zei hij na de vergadering, “want zonder die extra bijdrage is de regeling niet verdedigbaar”.

Het nieuwe voorstel betekent dat de zwaarst getroffen sportorganisaties geen ingrijpende reorganisatie van hun bondsapparaat hoeven door te voeren. Zo werd de subsidie van de zwembond in het eerste voorstel bijna gehalveerd (van 1,5 miljoen naar 660.000 gulden), maar is dat volgens het gisteren aangenomen voorstel teruggebracht tot twee ton. Ook voor de wielrenunie werd de pijn verzacht door een daling van 54 procent terug te brengen tot zestien, in cijfers van 270.000 tot 66.000 gulden.

Er zijn ook 'winnaars' van de budgetfinanciering. De tennisbond krijgt er viereneenhalve ton bij (56 procent), de Nederlandse Ski Vereniging die het lidmaatschap heeft gekoppeld aan een ongevallenverzekering en daardoor een explosieve groei van het aantal 'leden' kende, maakte een sprong voorwaarts van 189 procent: van ruim twee ton naar bijna zes ton jaarlijkse subsidie. Tijdens de vergadering werd dan ook aangedrongen op een scherpe definitie van van het begrip te geven.

Daaraan is voor een deel tegemoet gekomen door te dreigen met een korting van de WVC-subsidie als de bondscontributie (de afdracht van individuele leden aan hun organisatie) niet binnen drie jaar aan de minimumgrens van vijf gulden voor jeugdleden en tien gulden voor senioren zit.

Met de tegen-stemmen van de ijshockeybond (min 23 procent subsidie), rugbybond (min 21 procent), boksbond (min 16 procent) en badmintonbond (die in de nieuwe opzet geen 25 procent, maar negentien procent op vooruit gaat) (tegen), gingen de bonden akkoord.