Europese Commissie geeft voorkeur aan vrijwiligheid; 'Milieu-audit' niet verplicht

ROTTERDAM, 23 APRIL. De Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EG, ziet af van verplichte jaarlijkse milieu-onderzoeken bij industriele bedrijven. In plaats daarvan kiest ze 'milieu-audits' op basis van vrijwilligheid.

De keuze van de Europese Commissie, gebaseerd op een advies van het organisatiebureau Arthur D. Little, zal in de loop van dit jaar in een ontwerprichtlijn worden vastgelegd. Als de Europese Ministerraad de richtlijn aanvaardt, moeten de lidstaten deze - na beoordeling door het Europees Parlement - in nationale wetgeving omzetten.

Volgens T.A. Buijs, consultant bij Arthur D. Little, zal een vrijwillige aanpak van 'milieu-auditing' veel effectiever zijn dan een verplichting, omdat verreweg de meeste industrien zelf inzien dat zij hun bedrijfvoering ingrijpend moeten aanpassen. De markt vraagt bedrijven om veel aandacht aan een zo schoon mogelijke produktie te schenken. “Consumenten en andere afnemers vragen daarom. Veel bedrijven willen alleen nog maar toeleveranciers inschakelen die milieuvriendelijk werken. Van toeleveranciers wordt bijvoorbeeld geeist dat ze verpakkingen veranderen en terugnemen. Er is sprake van een verscherping van de randvoorwaarden. Concurrenten volgen elkaars voorbeeld. Als de een het doet, wil de ander niet achterblijven.”

Arthur D. Little heeft vijftien jaar ervaring met milieu-audits, het doorlichten van bedrijven, vooral in de Verenigde Staten en Europa. Op het ogenblik verricht het organisatiebureau deze studies ook in Oosteuropese bedrijven. Dat gebeurt in opdracht van Amerikaanse industrien die met deze bedrijven willen samenwerken of die hen willen overnemen. Van de Europese Commissie kreeg het bureau opdracht om richtlijnen voor vrijwillige milieu-auditing in West-Europa te ontwerpen.

Bij milieu-auditing wordt onderzoek gedaan naar de milieu-effecten van een bedrijf en wordt bekeken of het management in staat is het probleem door een integrale aanpak, waarbij alle onderdelen van het bedrijf worden ingeschakeld, te lijf te gaan. Zo'n onderzoek wordt aangevuld met aanbevelingen aan de directie met als belangrijk onderdeel een intensieve training van het personeel. Voor een middelgroot bedrijf met 250 werknemers komen de kosten van zo'n onderzoek gemiddeld op 60.000 tot 70.000 gulden.

In het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) van 1989 ontvouwde de Nederlandse overheid het plan om in 1995 voor 12.000 grote bedrijven een systeem van milieuzorg inclusief periodieke audits te introduceren. Daarbij gaat het om de ondernemingen die vergunningen nodig hebben voor emissies in bodem, lucht en water. Kleinere bedrijven zouden op een andere manier moeten aantonen dat ze aan verbetering van de milieuzorg werken.

Buijs onderstreept dat vrijwilligheid bij die onderzoeken essentieel is, omdat de industrie daarmee wordt gemotiveerd interne veranderingen te realiseren. “Elk zichzelf respecterend bedrijf vindt die motivering nu in de markt en wil zijn situatie verbeteren. Men gaat ook de emissies als een produkt beschouwen. Je moet de audits zien als gereedschap om die verbetering op gang te brengen door eisen aan de kwaliteit van emissies en afvalstoffen te stellen.”

Een verplicht jaarlijks onderzoek, zoals de Europese Commissie aanvankelijk wilde, zou volgens Arthur D. Little die motivering van bedrijven sterk verminderen. De overheid zou daardoor veel minder aan het interne beleid van ondernemingen kunnen veranderen. “Het gevaar van verplichte audits is dat de regering het management gaat sturen, in plaats van 'aan het hek' en aan de schoorsteen te controleren of emissies verantwoord zijn. Wat zou het ministerie van VROM trouwens moeten met jaarlijks 40.000 rapporten over het milieubeleid in bedrijven? De industrie kan het alleen maar zelf doen.”

De overheid heeft nu, via het vergunningenbeleid en de wetgeving op de water-, lucht- en bodemverontreiniging, de maximale emissies en de afvalverwerking redelijk onder controle, legt Buijs uit. “Het volgende hoofdstuk is nu vermindering van de afvalproduktie.”

Buijs ziet nog wel een probleem in de benadering van het ministerie van VROM: “De ambtenaren willen een aanspreekpunt bij de bedrijven.

Maar als er via de audits wordt overgeschakeld op een integrale benadering, krijgen ze met veel meer mensen te maken. VROM hanteert tot nu toe de 'end-of-pipe-benadering', namelijk: wat komt er uit de schoorsteen of de lozingspijp. Die cultuur moet worden omgezet in een geintegreerde cultuur en dat wordt nog heel moeilijk voor ze. Zij hebben een vermindering, een beperking als concept, terwijl de markt werkt met het groeiconcept.''