Een nare smaak

De laatste keer dat ik bij Renate Rubinstein op bezoek was, kwamen wij ook te spreken over Carel Peeters.

“Die man”, riep zij, “dat zou een van de minst bedeelden onder ons zijn? Welnee, die man heeft helemaal niets gekregen.” Ik moet daar de laatste tijd weer vaak aan denken. Op 9 maart beweerde Carel Peeters in Vrij Nederland dat Frans Kellendonk met zijn roman Mystiek lichaam een schrijversgeneratie had opgeroepen “die de literatuur kwalitatief gestalte geeft”. Over diezelfde roman schrijft Carel Peeters in zijn onleesbare boek Hollandse Pretenties: “Ik vraag me af of de in Mystiek lichaam vertolkte denkbeelden niet wat snel uit de pen zijn gevloeid en of Kellendonk er werkelijk op uit is geweest iets op te schrijven dat het resultaat is van het noeste denkwerk dat hij voorgeeft te hebben verricht.” Als je dat stuk legt naast het artikel dat Peeters nu heeft bijgedragen aan het herdenkingsnummer van de Revisor over diezelfde Kellendonk, wrijf je honderd maal je ogen uit.

Wat een Roomse draaikont is die Peeters! Eerst een lang stuk schrijven waarin Kellendonk van alles verweten wordt - “hij denkt wel erg schematisch”, “iemand die alleen maar in debat is met zichzelf” - en dan nu, in het Revisor-stuk opeens een volte-face! Nu opeens een en al stotterende bewondering! Peeters denkt blijkbaar dat wij gespeend zijn van herinneringsvermogen. In zijn stuk in Hollandse pretenties gewaagde hij naar aanleiding van Mystiek lichaam van “een nare smaak die je in de mond krijgt” en zegt hij: “Worden de denkbeelden in de roman bovendien versterkt door de vergelijkbare ideeen die de schrijver buiten de roman, bij voorbeeld in een interview, ten beste geeft, dan wordt die nare smaak alleen maar groter.”

Zeg dat wel! Het is aardig om nog eens terug te lezen wat dat tandeloze wezelsmoeltje nog langer geleden over Frans Kellendonk schreef in zijn nawoord bij Het hart in het hoofd, verhalen uit De Revisor. Toen beweerde hij: “Kellendonk schrijft het 'gewoonste'

proza in deze bundel; hij wijkt niet van een eenmaal gekozen vertellersperspectief af, bedient zich niet van zijpaden en zijn verbeelding onderneemt geen hoge vluchten.” En verderop: “Bij andere schrijvers in deze bundel voelt men steeds de aanwezigheid van het schrijven als metier: het vormgeven, de zijpaden, het point of view, de schrijver die de lezer aanspreekt. Dit is allemaal afwezig bij Kellendonk.” Groter contrast tussen die beweringen en het huidige Revisor-stuk is nauwelijks denkbaar!

Het is goed te beseffen dat Carel Peeters een schaamteloze opportunist is, met maar een doel: zoveel mogelijk macht, eer en aanzien te verwerven, en een, vooral ook in materieel opzicht, zo goed mogelijke positie. Indertijd is hij benoemd tot 'tijdelijk hoogleraar recensiekunde'. Krampachtig heeft hij ernaar gestreefd om 'blijvend tijdelijk hoogleraar recensiekunde' te worden. Is het om zijn positie te verstevigen nu de tijd om Frans Kellendonk te bewonderen, welnu, dan bewondert hij Frans Kellendonk. Net zoals hij vroeger moeiteloos kon overstappen van Elsevier naar Vrij Nederland, kan hij nu even gemakkelijk zijn mening herzien over Frans Kellendonk, nu blijkt dat diens werk door anderen veel hoger wordt aangeslagen dan hij dat indertijd zelf deed.

Dat zulks geschiedt over het graf heen van een schrijver wiens angst voor de dood hem in Hollandse pretenties de zeldzaam botte opmerking in de pen geeft: “Zo vraag ik mij af hoe het te rijmen valt dat Kellendonk zo tegen gelijkvormigheid in de samenleving kan zijn en bang is voor de dood van het individu”, is van een verbijsterende smakeloosheid. Maar ja, wat kan dat Peeters schelen. Als hij maar wordt aangezien voor de nieuwe Menno ter Braak!

Lang geleden ben ik samen met Frans Kellendonk naar Maastricht geweest om daar een literaire avond te verzorgen. Na afloop praatten we in ons hotel over de Nederlandse literatuur. Nou ja, praten is teveel gezegd, Frans was een man van weinig woorden. In het hoofdzakelijk uit lange stiltes bestaande gesprek liet ik ook de naam Carel Peeters vallen.

Frans zei niets; ik vroeg: “Wat vind je eigenlijk van die man?” Frans antwoordde niet, maar zijn mondhoeken bewogen zich gestaag naar het middelpunt der aarde.