Beleidsconcurrentie

De aanvankelijke Euroforie over de zegenrijke gevolgen van het verdwijnen van de binnengrenzen in de Europese Gemeenschap lijkt nogal te bekoelen, naarmate het door pr-campagnes van Brusselse Eurocraten magisch gemaakte jaar 1992 naderbij komt.

Het besef daagt dat de economische eenwording van het Europa van de Twaalf aanzienlijk langer gaat duren dan ons is voorgespiegeld.

Behalve voordelen en nieuwe kansen, blijkt de toenemende vervlechting van nationale economieen ook sociale kosten met zich mee te brengen, doordat de beschermende paraplu boven sommige bedrijfstakken verdwijnt (banken, staal). De groten in ondernemingsland proberen al jaren om door betere samenwerking, overnames en herstructurering van bedrijven een zo sterk mogelijke uitgangspositie op de gemeenschappelijke markt te verwerven. Ook kleine bedrijven worden steeds vaker geconfronteerd met gevolgen van Europa, zowel door produkteisen (normen) als bij hun afzetperspectief (landbouw, pomphouders).

Tegenover de kosten voor ondernemingen en samenleving - er moeten bij voorbeeld (tijdelijk) meer uitkeringen aan werkloos geworden en arbeidsongeschikt verklaarde werknemers worden gedaan - staan baten voor consumenten en staatsburgers. Wanneer beschermde posities worden blootgesteld aan heftige concurrentie, verbetert de kwaliteit van produkten en dalen de prijzen. Dit is niet alleen het geval op markten voor goederen en diensten.

Door de toenemende beleidsconcurrentie tussen nationale overheden komt ook de burger sterker te staan tegenover de wetgever en de uitvoerende bureaucratie. Hij kan gemakkelijker stemmen met zijn voeten door zijn activiteiten te verleggen naar een ander gebied binnen de gemeenschappelijke markt. EG-landen die vlot vergunningen geven om een vervuilende fabriek te bouwen, zetten zo het strengere milieubeleid van andere lidstaten onder druk. Ondernemers dreigen immers uit te wijken naar een regio waar ze snel aan de slag kunnen.

Sommigen vermoeden dat landen met in verhouding genereuze regelingen van sociale zekerheid zich op een vergelijkbare manier gedwongen zullen zien hun uitkeringenstelsel aan te passen tot in de buurt van het Europese gemiddelde. De financiering van een royaal stelsel leidt tot in verhouding hoge (loon)kosten, wat de concurrentiepositie van de nationale bedrijvigheid kan schaden. Hoge uitkeringen kunnen ook een aanzuigende werking hebben op 'uitkeringszoekers' uit andere lidstaten, die hun inwoners een minder goede sociale bescherming bieden. Evenzo zouden lidstaten met in verhouding hoge belastingen zich op den duur genoodzaakt kunnen zien om deze benedenwaarts aan te passen. De krimpende beleidsruimte van nationale overheden correspondeert met een dienovereenkomstig grotere vrijheid voor de burgers.

Dat deze ontwikkeling ook nadelen heeft, is evident. Landen die met hun milieubeleid voorop willen of moeten lopen, bij voorbeeld omdat ze zoals Nederland een hoge bevolkings- en varkensdichtheid hebben, raken in problemen. De bevolking van deze gebieden is gebaat bij een strikte beheersing van de vervuiling, maar dit belang wordt soms ondergeschikt gemaakt aan de jacht op fabrieken, kantoren en een stevig marktaandeel in het internationale luchtverkeer (Schiphol). Een verlaging van de collectieve uitgaven en de belastingen tot Europees peil - onder invloed van toenemende beleidsconcurrentie tussen de lidstaten - is aardig voor mensen die vinden dat zij te veel 'aan de keizer moeten geven', maar dupeert de natie wanneer de infrastructuur wordt verwaarloosd en iedereen natte voeten krijgt door onvoldoende onderhoud van de zeeweringen.

Hoe groot is de kans dat ons stelsel van belastingen en sociale zekerheid bezwijkt onder druk van de beleidsconcurrentie die andere EG-lidstaten Nederland aan doen? Het ligt voor de hand om een vergelijking te maken met de situatie in de Verenigde Staten en Canada. Deze federale staten kennen al jaren een vrije markt en een gemeenschappelijke munt. De afzonderlijke staten hebben echter de vrijheid om eigen belastingen op te leggen, en de uitkeringsniveaus verschillen er aanzienlijk.

Blijkens een recent onderzoek van twee medewerkers van het Centraal Planbureau - Van Hoek en Groot - heeft beleidsconcurrentie in de VS inderdaad een zekere fiscale harmonisatie teweeg gebracht, vooral bij de tarieven van de vennootschapsbelasting en de benzine-accijnzen. Het tarief van de inkomstenbelasting in aangrenzende staten loopt soms echter tien punten uiteen, kennelijk zonder dat hierdoor onoverkomelijke problemen ontstaan. Ook verschillen in uitkeringsniveaus blijken een betrekkelijk beperkte invloed te hebben op de woonplaats die individuen kiezen. De les voor Europa lijkt te zijn dat een zekere diversiteit van belastingtarieven en uitkeringen mogelijk is. Bovendien is de mobiliteit van personen in Europa veel geringer dan in de VS, door bestaande taalbarrieres en sociaal-culturele verschillen.

Toch mogen verschillen niet te groot worden, zeker bij de belastingheffing op kapitaal(opbrengsten). Kapitaal zoekt net als water de qua belastingdruk laagstgelegen plaatsen op. Dit bleek toen Duitsland ruim anderhalf jaar geleden een bronheffing van tien procent op rente invoerde. Er stroomde zoveel kapitaal het land uit, dat de maatregel binnen een half jaar weer werd afgeschaft.

Beleidsconcurrentie biedt burgers dus extra bescherming tegen een al te inhalige overheid.