Amerikaanse banken vallen een voor een om

In de Amerikaanse bankwereld is een harde sanering gaande. De faillissementen volgen elkaar in snel tempo op. Een hard afscheid van de tachtiger jaren, toen het niet op kon in de Verenigde Staten.

James V. MacFarland beheert een vermogen met een waarde van zes miljard dollar en hij is er niet blij mee. Het vermogen bestaat uit de boedel van failliete banken en omvat voor het grootste deel onroerend goed dat veel minder waard is dan het bedrag waarvoor het geboekt staat. McFarland blijft er laconiek onder. Hij weet dat hij de komende maanden nog veel meer waardeloos bezit in handen zal krijgen. Want de bankencrisis in New England - in het noordoostelijke deel van de Verenigde Staten - zal nog zeker tot eind 1992 aanhouden.

“Sinds 1 april hebben we twee kleine banken in Connecticut gesloten en deze week gaan twee banken in Massachusetts dicht”, vertelt McFarland. Het gemiddelde ligt nu op een bank per week en voor heel 1991 worden nog zo'n vijftig kleine en enkele grote bankfaillissementen in New England verwacht.

McFarland is directeur van het regionale kantoor van de Federal Deposit Insurance Corporaton (FDIC), een federale overheidsinstelling die een sleutelrol speelt bij het faillissement van banken in de VS.

Als een bank bij de FDIC is verzekerd, garandeert deze instelling dat klanten bij een bankroet hun geld tot 100.000 dollar per rekening terugkrijgen. In ruil voor deze garantie neemt de FDIC bij faillissement alle bezittingen van een bank in beslag. Zo heeft de FDIC in Boston onvrijwillig een portefeuille van zes miljard dollar opgebouwd.

In golven bevinden banken in de VS zich in moeilijkheden. De afgelopen jaren golfde de bankcrisis over Texas, op het ogenblik wordt New England geteisterd. In Texas werden de problemen veroorzaakt door de val van de olieprijzen na 1983; in New England door het einde van de prijzenkoorts in de onroerend goed-markt. “Onroerend goed was het meest opwindende wat hier bestond. Maar de speculatieve ballon ontplofte twee jaar geleden en sindsdien zijn de onroerend goed-prijzen met zo'n 35 procent gekelderd. Die prijsval heeft de banken meegesleept”, zegt Eric Rosengren, economisch onderzoeker bij de Federal Reserve Bank in Boston, een regionaal kantoor van het Amerikaanse stelsel van centrale banken.

De golf van bankfaillissementen in New England vormt niet direct een bedreiging voor de stabiliteit van het Amerikaanse financiele stelsel.

Maar het oefent wel een sterke neerwaartse zuigkracht uit op de regionale economie. Gedwongen door de federale toezichthouders moeten de banken hun boeken opschonen, verliezen wegwerken en hun eigen vermogen versterken. Dat doen ze door veel minder nieuwe kredieten te verstrekken, ook niet aan vertrouwde, kredietwaardige klanten. In het laatste kwartaal van 1990 daalde de bancaire kredietverlening in New England met maar liefst dertien procent.

“Er is sprake van een inkrimping van de kredietverlening als gevolg van de vermindering van het eigen vermogen van de banken”, vertelt Rosengren. Deze zogenoemde credit crunch is volgens hem geen nationaal probleem in de VS, maar wel een groot probleem in New England. Het treft de kleine en middelgrote bedrijven het hardst. Die kunnen vrijwel geen nieuw krediet krijgen en zijn daardoor niet in staat om met uitbreiding van hun activiteiten de economie uit de recessie te trekken. Al is de situatie niet zo dramatisch als in de jaren dertig, de economie van New England spiraalt zo verder naar beneden.

Jim McFarland van de FDIC ontkent dat de terughoudendheid bij de kredietverlening wordt afgedwongen door de toezichthouders. “Wij eisen van de banken dat ze terugkeren naar hun traditionele leningsvoorwaarden, zoals ze die vroeger ook hanteerden. We ontmoedigen banken niet om kredieten te verstrekken, we willen alleen niet dat ze zo vrijgevig zijn als de afgelopen jaren.” Hij erkent dat sommige klanten daardoor minder makkelijk toegang hebben tot krediet, maar dat is ook de bedoeling. “Kijk eens naar de rotzooi die het gemakkelijke krediet van de jaren tachtig heeft veroorzaakt.”

Pag. 16: .

Bankencrisis: het financiele Tsjernobyl van New England .

De Verenigde Staten hebben een lange traditie van bankfaillissementen. Het banksysteem is archaisch, inefficient, gefragmenteerd door regels uit de jaren twintig en dertig die een strikte scheiding van soorten banken beoogden. Op het ogenblik telt het land nog 12.700 zelfstandige banken, waarvan sommige zo klein zijn dat ze slechts in een afgelegen dorp een vestiging hebben met een handvol rekeninghouders. Gevoed door plaatselijke sentimenten, een afkeer van overheidstoezicht en een hang naar snel verdiende dollars komen banken keer op keer in moeilijkheden. Dank zij de deregulering in de jaren tachtig konden banken bovendien nieuwe terreinen afgrazen, ongehinderd door kennis van zaken maar met de wetenschap dat wanbeheer niet wordt afgestraft.

Bij faillissement staat de overheid in de meeste gevallen garant voor de rekeninghouders.

Ondanks de instelling van federale garanties in de jaren dertig om de toenmalige bankpaniek te dempen, kennen de VS nog altijd klassieke stormlopen op banken. Dat gebeurde in 1985 in Ohio en in Maryland, daarna in Texas en begin dit jaar in Massachusetts.

De bankencrisis in New England is dramatisch door de omvang en de snelheid waarmee financiele instellingen het loodje leggen. Bovendien markeren de faillissementen de ernst van de recessie in dit gebied, dat enkele jaren geleden nog internationaal als een voorbeeld gold van succesvolle economische omschakeling en groei. In Massachusetts is de werkloosheid, die midden jaren tachtig verdwenen was, in korte tijd opgelopen tot tien procent, het hoogste percentage van de Verenigde Staten. New England, verwachten economische deskundigen, zal zeker een half jaar langer in recessie blijven dan de rest van de Verenigde Staten.

“Hier is sprake van een financieel Tsjernobyl”, zegt Robert Fichter, vice-president van de Massachusetts Bankers Association. Sinds begin 1989 zijn 23 banken en elf spaarbanken in New England over de kop gegaan. De meest dramatische gevallen hadden rondom de afgelopen jaarwisseling plaats. “Het markeerde het afscheid van de uitbundige jaren tachtig. Bangg! De jaren negentig waren begonnen”, zegt Fichter.

Op 28 december 1990 - de laatste werkdag van het jaar - ging een kleine bank, Capitol Bank & Trust in Boston dicht. De FDIC stuurde per post naar alle gedupeerde rekeninghouders cheques tot een bedrag van 100.000 dollar en wie meer geld op zijn rekening had staan, was dat kwijt. Tot de gedupeerden behoorden drie gemeenten die geld bij Capitol Bank hadden en die samen twee miljoen dollar verloren.

De eerste daad van de nieuwe gouverneur van de deelstaat Rhode Island op 1 januari 1991 was het bevel tot tijdelijke sluiting van 45 plaatselijke spaarbanken. De rekeningen bij deze spaarbanken waren niet gegarandeerd door de federale overheid, maar door een particuliere verzekeraar. Dit verzekeringsfonds was door zijn geld heen. Er was sprake van fraude en van valse voorspiegeling van zaken geweest. In Rhode Island - een staat met een miljoen inwoners - zijn sindsdien 350.000 spaarrekeningen met een totale inleg van 1,2 miljard dollar geblokkeerd.

Twee dagen later kondigde de Bank of New England - de grootste en meest agressieve bank van de regio - een verlies van 450 miljoen dollar over het laatste kwartaal van 1990 aan. Dat was het signaal voor paniek. Op 4 januari vormden zich lange rijen voor de banken van spaarders die hun geld opeisten. Dat weekeinde besloten de federale toezichthouders om de Bank of New England bankroet te verklaren en te laten overnemen door de FDIC. Het op twee na grootste bankroet uit de Amerikaanse bankgeschiedenis was een feit: alleen de faillissementen van Continental Illinois in Chicago (1894, vermogen 33,6 miljard dollar) en First Republic Bank in Dallas (1988, 32,9 miljard) waren groter geweest. Het vermogen van de Bank of New England bedroeg begin 1990 nog 32 miljard dollar maar was in de loop van het jaar geslonken tot 23 miljard.

De FDIC besloot ter beteugeling van de paniek om alle rekeninghouders volledig schadeloos te stellen - ook voor bedragen boven de gegarandeerde 100.000 dollar. Dat maakte een oude discussie actueel: sommige banken zijn zo groot, dat de autoriteiten de gevolgen van een bankroet niet kunnen toestaan, zeker niet als de economie - zoals in New England - toch al zwak is. James McFarland, de regionale directeur van de FDIC, bevestigt: “Als we ons beperkt hadden tot 100.000 dollar per rekening, dan zou zoveel niet-verzekerd geld van particulieren, kleine bedrijven en gemeenten met rekeningen bij de BNE verloren zijn gegaan, dat ook andere banken in moeilijkheden zouden zijn gekomen.

Uiteindelijk zouden de kosten voor ons dan nog groter zijn geweest.'' Nu waren alleen de aandeelhouders van de BNE al hun geld kwijt.

Het bankroet van de bank of New England heeft de federale overheid volgens McFarland 3,3 miljard dollar gekost. Deze week is bekend geworden dat Fleet-Northstar bank uit Connecticut de BNE zal overnemen van de FDIC, sinds 7 januari eigenaar van de BNE.

James Moynihan heeft aan de wieg gestaan van de bankencrisis in New England. Moyhanan, partner bij de beleggingsfirma Advest Inc., volgt al ruim dertig jaar het bankwezen in zijn regio. In 1982 had hij een inval. President Reagan had zojuist een wet ondertekend die ruime bevoegdheden gaf aan de Savings & Loans Banks, die hun activiteiten tot dan toe moesten beperken tot hypotheken, waarop ze door de sterk gestegen rente van die tijd steeds grotere verliezen leden.

New England kende weliswaar weinig Savings & Loan Banks, maar de Mutual Thrift Banks verkeerden in dezelfde positie. Deze spaarinstellingen - in de negentiende eeuw vaak opgezet ter bevordering van de spaarzin van de lagere klasse - waren suffige hoekstenen van de lokale gemeenschap, beheerd door een goedwillend bestuur met een paar administrateurs voor de lopende zaken. Die zaken betroffen het aantrekken van spaargeld en het uitzetten van hypotheken onder de leden van de bank.

Moynihan zag nieuwe uitbreidingsmogelijkheden als de spaarfondsen omgezet zouden worden in banken met aandeelhouders. Ze zouden dan over meer kapitaal beschikken en op grond daarvan veel meer geld kunnen uitlenen. Dat zou leiden tot hogere winsten, tot hogere aandelenkoersen, tot nog meer leningen en tot tevreden aandeelhouders en bankiers. Investeerders roken geld en het plan sloeg aan. Moynihan was in New England betrokken bij de omzetting van 150 spaarfondsen in n.v.'s, in 1986 met een tempo van een per week. “Ik heb vijf miljard dollar aan nieuw kapitaal voor die spaarbanken bij elkaar gebracht”, zegt hij. Maar hij erkent ook: “Daarmee ben ik persoonlijk medeverantwoordelijk voor de problemen waarmee de banken nu geconfronteerd worden.”

Want de omgevormde spaarinstellingen gingen dingen doen die ze nog nooit eerder hadden gedaan. Op basis van hun vergrote kapitaal konden ze een veelvoud aan geld uitlenen. Ze verstrekten geen hypotheken meer aan bekenden, ze stortten zich op de financiering van onroerend goed, van ontwikkelingsprojecten, van luxe appartementen en kantoren.

In Massachusetts en in andere staten van New England ontstond een unieke situatie. Aan de ene kant bestond een grote vraag naar kantoren en woonruimte dank zij de economische 'boom' die de regio doormaakte.

Aan de andere kant bulkten de banken van het geld om hypotheken te verstrekken en om onroerend goed-projecten te financieren. Huizen waren binnen een uur verkocht, vaak tegen een hoger bod dan de vraagprijs. En de koersen van de nieuw gevormde spaarbank-n.v.'s schoten omhoog.

“Het was te veel van het goede”, zegt Eric Rosengren, de econoom bij de Federal Reserve Bank. De toezichthouders zagen de onvermijdelijke crisis in de onroerend goed-markt en daarmee bij de banken aankomen.

Maar ze konden weinig doen en zeker niet ingrijpen. “Wij zijn gedoemd om achterom te kijken, niet vooruit”, zegt Rosengren. “De toezichthouders kunnen banken niet dwingen om geen geld in onroerend goed te steken.”

Het einde kwam zoals bij de schuldencrisis van Latijns Amerika in 1982. Toen hadden de banken te veel uitgeleend aan landen die niet kredietwaardig waren onder het motto dat landen niet bankroet kunnen gaan. Met dezelfde argumentatie hadden sommige banken in New England een derde van hun leningen verstrekt aan onroerend goed-projecten.

Nadat de prijzen instortten, kwamen de banken in moeilijkheden. In Massachusetts is acht procent van de uitstaande bankleningen niet invorderbaar; in Connecticut zelfs tien procent. Het Amerikaanse gemiddelde voor probleem-leningen bedraagt 3,7 procent. Dat is vergeleken bij Nederlandse banken al zeer hoog.

Toen de projectontwikkelaars en huiseigenaren bankroet gingen, bleven de banken zitten met het onverkoopbare onderpand en werden ze gedwongen om de waarde van hun uitstaande vorderingen af te boeken en voorzieningen te treffen ten koste van de winst. “De banken moeten hun verliezen slikken”, zegt bankanalyst Jim Moynihan nu. De tijd die nodig is voor vertering wordt geschat op nog twee jaar.