Amerikaanse architecten willen de hemel niet langer kietelen

De sociaal geografe Hedy d'Ancona, tegenwoordig minister van cultuur en haar collega Alders (ruimtelijke ordening) publiceerden vorige week hun nota 'Ruimte voor architectuur'. Eerder was, onder andere op Alders' departement, geconstateerd was dat het uiterlijk van Nederland de laatste decennia flink verloederd is geraakt. Beide ministers vinden nu dat architectuur weer kwaliteit moet krijgen. Ook in de VS wordt op een nieuwe manier over architectuur gedacht.

Hoge gebouwen waren nog niet lang geleden een grote sensatie. Zo was het in mijn familie als we 21 jaar werden, vaste prik dat we een reisje naar New York maakten. Ik zal nooit vergeten hoe we in de avonduren naar de bovenste verdieping van het RCA-gebouw gingen om als verbijsterde verkenners van Mars uit te kijken over de stad met haar miljoenen lichtjes. Torens waren toen, voor een kind van buiten de stad, net zo fascinerend als Disneyland vandaag de dag.

Daarom is het haast onmogelijk je voor te stellen dat er in de jaren dertig ook maar een rechtgeaarde Amerikaanse stad (met uitzondering natuurlijk van het unieke voorbeeld van Washington) zou zijn met wetgeving over de begrenzing van de hoogte van gebouwen

Hoogbouw 'kietelt' Gods eigen hemel. Het was een expressie van dynamiek, van uitbundigheid, het was Utopisch, Amerikaans nota bene.

Toren na toren verwierf de titel van 'het hoogste gebouw van de wereld'. Lewis Mumford, Amerika's vooraanstaande architectuurcriticus, noemde zijn column in de New Yorker, ondanks het feit dat hij een humanist was, 'Skylines'. Frank Lloyd Wright imponeerde de media met zijn voorstel voor een wolkenkrabber van een mijl hoogte (ruim anderhalve kilometer) voor Chicago. Toeristen zoals ik, verdrongen zich op de top van Empire State Building en de andere legendarische reuzen.

Nu, veertig jaar later, is de grootste toeristische attractie in Boston niet een of andere stratosferische toren maar een keldercafe in een historische buurt. Een soortgelijke toeloop ondergaat het festival-marktterrein dat al in 1826 werd gebouwd. Er is iets veranderd. We zien een grote verschuiving in symboliek. De toren was verticaal, stil, alleen en eerzuchtig en hij wees naar de toekomst.

Het was de architectonische equivalent van de grote Gary Cooper of de Lone Ranger, die de grote Amerikaanse prairie doorkruiste. Het cafe en het plein in Boston daarentegen zijn horizontaal, lawaaierig, sociaal, gewoon, en vormen een verbintenis met het verleden; die waren nu juist de praatzieke, verwarde, cultuurgebonden gemeenschap die Cooper en de Lone Ranger altijd minachtten.

Misschien kunnen we uit het verband van de culturele symbolen het best opmaken wat er met de wolkenkrabbers is gebeurd. Het lijkt erop alsof ze uit de mode raken. Hoogte alleen al is nu controversieel. Plannen voor Port America (even buiten Washington) en Columbus Circle in New York City werden alleen al door de hoogte op brede schaal verguisd.

Toen Donald Trump vijf jaar geleden weer kwam met een voorstel voor alweer een Hoogste-Gebouw-van-de-Wereld ergens in New York, werd hij niet als een utopische dromer, zoals Wright gezien maar als een pretentieuze lomperik.

Verleden jaar heeft Seattle, op initiatief van de bevolking, de basishoogte voor gebouwen in zijn detailhandelscentrum teruggebracht van 240 tot 85 voet (ca. 25 meter). Boston, Portland, San Francisco en vele andere steden zoeken minder drastische manieren om de skyline te verlagen. Of kijk eens naar Washington. De beroemde regel die daar geldt dat geen gebouw hoger mag zijn dan het koepeldak op het Capitool, doet steeds vaker opgeld omdat deze regel de schaal van nieuwe bouwontwikkelingen in de hand heeft weten te houden. Washington heeft niet over veel opmerkelijke architectuur, maar wel iets veel belangrijkers: zonnige straatruimten van een goede schaal en met een duidelijke begrenzing. We kunnen constateren dat Parijs, zo geroemd om zijn schoonheid ook niet veel opvallende architectuur heeft. Net als Washington is Parijs veel meer het produkt van architecten die zones invullen om straatruimten te creeeren waar de aandacht niet zozeer op de skyline is gericht als wel op de stoep. Mijn vroegere werkgever, Josep Lluis Sert beschreef Parijs eens accuraat als 'olifanten en papegaaien' - een stad waarvan de typische straten lijken op een circusoptocht met grijze olifanten (de gebouwen) en felgekleurde papagaaien (de winkels en cafes met hun luifels en jachtige mensen).

En net als Washington is Parijs een horizontale stad.

MILIEUBEWUST

We moeten niet overdrijven: niet iedere stad is erop uit de toren te vermoorden. De meeste Amerikaanse steden, vooral in het Zuiden en Zuidwesten, staan nog steeds hoogten toe die alleen gedicteerd worden 'door de markt en de FAA'( de bond van Amerikaanse architecten).

Philadelphia is pas onlangs van een informeel 'gentlemen's agreement' afgestapt, dat de bouwhoogte beperkte tot het voetstuk van het beeld van William Penn op het stadhuis. Maar ondanks het verlaten van de 'Penn-standaard' werd de zone voor hoge gebouwen, in een nieuw stedebouwkundig plan beperkt tot een kleine strook in een overgangsgebied.

Ik denk dat dit pas de eerste uitingen zijn van de anti-hoogbouw beweging. In de jaren negentig zal dat gepaard gaan met een groeiend milieubewustzijn dat een dagelijkse zorg van stedebouwkundige planning zal worden. Er zijn vele redenen te noemen waarom de wolkenkrabber niet langer de belichaming van de Amerikaanse Droom is en die redenen (ik noem er drie: de raket, de bom en de chip) liggen niet helemaal voor de hand.

- De raket. Je raakt niet zo snel opgewonden over het verschil in hoogte tussen het Chrysler gebouw en de Empire State Building in een tijd waarin raketten miljoenen kilometers de ruimte worden ingeschoten. De raket van nu die bij het ochtendgloren klaarstaat om te worden gelanceerd, is ons equivalent van de spitse toren uit het verleden. Er hangt een zweem van romantiek omheen. Daarmee vergeleken lijkt de statische hoogte van gebouwen onbetekenend.

- De bom. De komst van de kernbom met haar potentie van totale vernietiging heeft alles veranderd op een manier die nu pas tot ons begint door te dringen. Voor de bom was het mogelijk in de toekomst te geloven en in een cultus van Vooruitgang waarin alles voor altijd nieuwer, groter, sneller en hoger zou zijn. Niemand gelooft daar nu nog in. Dus hebben de wolkenkrabbers, de architectonische symbolen van groei en vooruitgang, plotseling hun inhoud verloren. In plaats van te geloven in de vooruitgang, geloven we in het koesteren van de geschiedenis - een onbewust antwoord misschien op de nucleaire dreiging van de uiteindelijke vernietiging van alle geschiedenis. In de hoogtijdagen van de wolkenkrabbers lag het Gouden Tijdperk in de toekomst; nu ligt dit in het verleden, iets waaraan we ons proberen vast te klampen.

- De chip. Iedere tijdsgewricht heeft zijn ware symbool. Het onze is een geheimzinnige zwarte doos, die een serie sterk verkleinde siliconen-chips bevat. Wij zijn waarschijnlijk de eersten die een dergelijk symbool hebben dat bijna onzichtbaar is: een zwart gat in plaats van een heldere ster.

Hoogbouw is om deze redenen minder sensationeel geworden. Als criticus van een plaatselijke krant in Boston ontdekte ik dat ik niet de energie kon opbrengen om de laatste twee torens van het architectenbureau Kohn Pederson Fox te bespreken. Naar de norm van het recente verleden zijn beide uitstekend. Ze ondersteunen een levendige drukte van voetgangers op straat, hebben opvallende ingangen en mooie lobbies en lijken interessant genoeg om er tenminste even aandacht aan te schenken. Maar dat zijn kwaliteiten die we eigenlijk voor lief moeten nemen, omdat zij nu eenmaal de basis zijn van stedelijk ontwerpen. Daarbuiten bieden de gebouwen weinig meer, behalve twee nieuwe manieren om een kantoortoren te beeldhouwen en te versieren. De een is wat rond en de ander is wat vierkant. De een is afgewerkt op de pseudo-industriele manier van Otto-Wagner, met iets dat lijkt op vrijliggende bouten en de andere is een diepgevroren bruidstaart, een mengelmoes van Beaux Arts. Het laatste hoge gebouw dat mij kon opwinden als een architectonisch beeldhouwwerk was de First Interstate Bank (voorheen Allied Bank) in Dallas en ik vermoed dat dit meesterstuk van Henry Cobb wel eens de laatste in de rij zal blijken te zijn. Immers, hoeveel nieuwe vormen en gevel-oppervlakken zijn er dan wel te bedenken? Waarom zou je je moeite getroosten om een persoonlijk gezicht te geven aan een soort gebouw dat niet meer behelst dan een zich verticaal herhalend pakhuis voor papier en mensen? Zou iets dergelijks niet moeten worden gewijd aan gebouwen met een groter belang voor de burgers?

SMAAKVOLLE IMITATIES

Architecten die wolkenkrabbers ontwerpen, zijn zenuwachtig. Zij voelen dat het publiek de interesse in dergelijke gebouwen verliest en hebben ten minste op drie manieren erop gereageerd. De eerste manier, die van de Kitsch, behelst het kopieren van populaire wolkenkrabbers uit de oude, vertrouwend op dierbare herinneringen. Goede voorbeelden hiervan zijn prominente nieuwe torens in Atlanta van Philip Johnson en John Burgee, in Minneapolis van Cesar Pelli en in New York van David Childs van SOM (WorldWide Plaza). Het zijn allemaal smaakvolle imitaties van de torens uit de jaren twintig. Maar ze hebben allemaal de onvermijdelijke oppervlakkigheid van namaak. Een tegenovergestelde benadering is die van het Nu, de poging om de wolkenkrabber nieuw te laten lijken. Je kunt bijvoorbeeld je toren meenemen naar de modewinkel om een nieuw omhulsel van kleren te proberen, zoals Burgee en Johnson deden in hun herziene voorstellen voor Times Square.

Er is nog een derde manier, die van de Knipoog, de handige karikatuur van het totaalconcept van de hedendaagse wolkenkrabber. De veelzijdige Burgee en Johnson lopen opnieuw voorop, met gebouwen in Denver en Boston, waarvan de gevels lijken te zijn behandeld met een patroon van behangpapier dat met de schaar is afgeknipt en vervolgens stijf om een stalen frame is gewikkeld. Aangezien het omwikkelen van een frame met een huid eigenlijk de manier is waarop we tegenwoordig bouwen - laten we eerlijk zijn, onze wolkenkrabbers zijn grote tenten - hebben deze exemplaren de verdienste van een ironische bijdrage. Maar grappenmakerij is zelden blijvend in de architectuur.

Of het nu de Kitsch, het Nu of de Knipoog is, geen van alle slaagt erin het oude gevoel van ontroering te herstellen. Misschien moeten toegeven dat hoogbouw hopeloos tijdgebonden is, tenminste als mythe.

Het is een overblijfsel van de American Frontier. De Amerikaanse literatuur en kunst, vooral die in de negentiende eeuw, beroepen zich herhaaldelijk op een enkel beeld, dat van mensen die uitkijken over lege vlakten, meestal westwaarts, met aan de horizon een groot en hoog object - een plateau, een schip, een berg. Dat beeld is een ikoon van onze cultuur en de wolkenkrabber is daarvan een late versie.

Als je nu de woestijn of de prairie met de auto doorkruist en je ziet voor het eerst de torens van Dallas of Denver die in de verte oprijzen, dan proeven we maar een zwak aftreksel van hoe het moet zijn geweest om een pionier te zijn die plotseling, na weken van reizen, de grote bergketens van de Rocky Mountains ziet opdoemen. David Dillon, de architectuurcriticus van de Morning News uit Dallas, komt oorspronkelijk uit het oosten van de Verenigde Staten en hij heeft geleerd om van de kantoorparken van de buitenwijken van Dallas te houden door ze op de volgende manier te zien: als surrogaten voor landschapsvormen, als door mensen gemaakte plateaus, als iets noodzakelijks voor de Frontier.

Maar de skylines van de grote Frontiersteden zijn meer dan metaforen voor het landschap. Het zijn ook metaforen voor de beschaving. Van een afstand staan die torens van Dallas of Denver of Houston in een cluster, als een gezellig groepje menselijke figuren om een kampvuur, of misschien als een kring van wagens die dicht opeenstaan ter bescherming tegen het gevaar en de leegte van het omringende land. De torens zijn surrogaten van ons zelf, groot genoeg om in een Noordamerikaans landschap van betekenis te zijn. En in het voorbeeld van Houston maken de torens duidelijk dat ze verschillen van elkaar, zo veel als mogelijk is. Dit is tenslotte een Amerikaanse samenleving, een land van vrije individuen die zich laten gelden en die elkaar verdringen - en niet Europa met zijn gevestigde regels en instituties.

Dergelijk symbolisme is krachtig. Maar het wordt minder belangrijk met het verstrijken van de tijd, aangezien de westelijke steden steeds meer gaan lijken op de oostelijke door de toevoeging van bomen en voorsteden waarmee de rauwe sensatie van het kampement aan de kolonisatiegrens is verlorengegaan.

HOUSTON

Houston doet ons denken aan een andere kenmerk van hoge gebouwen. Het zijn ook de grafische voorstellingen van de machtstructuur. De mannelijke cultuur wordt beheerst door het concept van hierarchie, zoals iedereen kan beamen die weleens een weekend naar Amerikaans football heeft zitten kijken. In de Europese en Amerikaanse geschiedenis heeft iedereen die de top van de hierarchie bereikte dit willen benadrukken door het grootste of hoogste gebouw neer te zetten.

De opeenvolgende machten zijn: de kerk (de kathedraal van Chartres), de koning (Edinburgh Castle), de oligarchie (San Gimignano), de republiek (het Capitool) en het bedrijfsleven (Sears Tower). De skyline van een hedendaagse Amerikaanse stad is net een staafdiagram van macht en geld in de zakengemeenschap op een bepaald moment.

Is het dan mogelijk dat de huidige wanhoop over hoogbouw een opstand is tegen het complete hierarchische waardenstelsel? Onlangs las ik een prachtig nieuw boek 'You Just Don't Understand: Women and Men in Conversation' van Deborah Tannen. Daarin wordt gesteld dat mannen en vrouwen slecht met elkaar communiceren omdat mannen de wereld zien als een hierarchie van concurrenten, terwijl vrouwen deze eerder zien als een gemeenschap van onderlinge steun. Als dat waar is (en ik denk dat het zo is) zijn de dagen van de hierarchische stad geteld.

Wolkenkrabbers hebben ontegenzeglijk hun deugden. Zij kunnen een uiting zijn van fantasie, zoals het centrum van Houston, dat er van een afstand uitziet als een glinsterende glazen stad. De inwoners van Houston noemen dit heel passend 'the Oz View' en ze doet denken aan de wonderbaarlijke 'Invisible Cities' van de schrijver Italo Calvino. Zij kunnen de fysieke orde van een stad instandhouden en zelfs haar geschiedenis en geografie, zoals de geslaagde High Spine in Boston boven een historische doorgangscorridor, die ooit de nauwe landengte van het oorspronkelijke schiereiland Shawmut was.

Mijn eigen opvatting is dat de meeste Amerikaanse steden - om tal van redenen - erop vooruitgaan met een beperking tot zes of acht bouwlagen. Ik zou de afstandelijke glitterstad Houston snel verruilen voor een echte binnenstad, die bevolkt is met voetgangers die kunnen deelnemen aan iedere denkbare menselijke activiteit. Ik zou ook een kantoorruimte op de tachtigste verdieping van een stille toren met zijn macht-uitkijkpost a la Berchtesgaden verruilen voor een kantoor dat uitkomt op een privetuin met tientallen restaurants op loopafstand.

Architectural Record.