Abe en Faas

Tegen diegenen, die betogen dat het alles kommer en kwel was bij Nederland-Finland, zou ik willen zeggen dat er in mijn geheugen een stuk of zes acties zijn achtergebleven, die het aanzien volledig waard waren. Daaronder de beide treffers, plus een paar acties van Gullit, een enkele van Van Basten en twee of drie splijtende pases van Danny Blind. Inderdaad is dat niet veel voor negentig volle minuten, maar wat de totaalindruk vooral zo ongunstig beinvloedde was dat verfoeilijke, zinloze rondspelen achterin.

Als Michels en zijn spelers nu eens werkelijk weet hadden van de aversie van het grote publiek tegen dit gemakzuchtige breedte-gedoe, dan zouden zij toch eens moeten overwegen, daarop te korten. Soms heeft het zin om bij voorbeeld de komende actie van links naar rechts te verleggen, maar vaak is het een kwestie van geen vrijstaande speler in de lengterichting te zien. Nog vaker is het een zaak van het niet aandurven van risico's. Men wil best winnen, maar vermijdt de gevaren als de pest. Een voetballeven zonder risico's is evenwel net zo brak als de huidige eerste divisie: er gebeurt beneden de gordel weinig.

Een belangwekkende opmerking over het huidige spelpeil in internationaal verband kwam onlangs uit de mond van Ivan Toplak. Deze vroegere manager van het nationale elftal van Joegoslavie stelde voor net zo veel wissels te mogen toepassen als de coach nodig vond.

Desnoods dus elf. Zijn argument was dat het tempo tegenwoordig dermate hoog is dat veel spelers dat niet de volle speelduur kunnen volhouden.

Dus: wisselen bij ademnood. Het lijkt me vrij kansloos, want waar haalt men een stuk of tien gelijkwaardige vervangers vandaan? Straks komen er allerlei bijzonder-fitte reserves binnen de lijnen, wier voetbalcapiciteiten onvoldoende zijn, al hebben ze wellicht longen als blaasbalgen. Dan was er verder ene Osvaldo Ramirez, een Peruaanse ex-voetballer, die zich van de wereldkampioenschappen van 1970 in Mexico wel vijftig a zestig uitblinkende voetballers herinnerde. Dit is in schrille tegenstelling tot de wereldkampioenschappen van vorig jaar. Met de beste wil van de wereld kwam Ramirez niet verder dan een stuk of vijf echte uitblinkers.

Dat laatste getal is wellicht aan de lage kant ingeschat, maar een feit is dat weliswaar de hele voetbalwereld schreeuwt om een grandioze individuele uitblinker, terwijl het moderne spel die rol vrijwel onmogelijk maakt. Die meneer Ramirez meent, dat de huidige trainingsmethoden niet deugen en dat de nadruk te veel valt op botten van beton en spieren van ijzer, maar te weinig op technische vaardigheid. Nu moeten we niet het verleden gaan ophemelen, want wat toen geaccepteerd werd, kan tegenwoordig echt niet meer door de beugel. Bij Ajax-Heerenveen speelden de dertigers Rene van de Gijp en de Roemeen Camataru gelijk in de jaren vijftig Faas Wilkes en Abe Lenstra. Dat wil niet zeggen: evengoed, maar vergelijkbaar in beperkte bedrijvigheid. Abe placht te zeggen, dat hij weigerde te lopen op een bal die hij vermoedelijk niet zou halen. En Faas vond het nooit erg als een rush van hem gestopt werd. Hij ging er vanuit dat er altijd weer nieuwe mogelijkheden zouden komen en verwachtte dat zijn medespelers hem opnieuw in balbezit zouden brengen.

Daar staat tegenover dat beide cracks uitgesproken glanzende kwaliteiten bezaten, wanneer zij eenmaal de bal aan de voeten hadden.

Waar zijn tegenwoordig die persoonlijke, specifieke vaardigheden? Wie durft iets te ondernemen dat eruit springt? Kijkend naar de vaderlandse competitie kom je dan al gauw bij buitenlanders terecht: Romario, Djurovski. Vele anderen gaan kopje onder in de loodzware dekking en de harde ingrepen van defensieve tegenstanders. Zo krijgt de modale toeschouwer zelden iets van zijn gading. Hij wordt ook in de ogen van menige clubleiding steeds minder bepalend voor het welzijn van het elftal. Het moet vooral van sponsoring komen. Het ideaal is natuurlijk volle tribunes en gulle sponsors, die zich overigens op de achtergrond houden. Maar is dat over de hele linie bereikbaar?