Voetbal is business, maar bovendien emotie

Het betaald voetbal zit in de wurggreep van de commercie en komt daar nooit meer onder uit. Dat is een nogal voor de hand liggende conclusie. Althans een die bij mij opkomt na de serie van Peter ter Horst en Robert van de Roer over Feyenoord te hebben gelezen. Uitermate veelbetekenend was het zinnetje uit het slotverhaal van beide NRC Handelsblad-redacteuren: “Zonder het automatiseringsbedrijf (bedoeld is HCS), geleid door PSV-supporter Huub van den Boogaard, had Feyenoord niet eens kunnen deelnemen aan de competitie”. Gelukkig is het niet zo, dat alles wat commercie heet, bezig is de strop om de nek van grotere en kleinere clubs te trekken, maar het uitgangspunt van de nieuwe machthebbers is, dat men bereid is geld in de club te pompen op voorwaarde dat daar zeggenschap tegenover staat.

Dit moge in het zakenleven een logische gedachte zijn, in een onderneming die sportprestaties wil leveren, werkt ze slechts als de geldinbrenger de terughoudendheid opbrengt zich niet met voetbaltechnische zaken te bemoeien - tenzij hij de weinig voorkomende combinatie zakenman- voetbalkenner belichaamt. Voorzitter Kieboom, de aartsvader van Feyenoord, was zo'n man. Hij had een roodwit hart, adoreerde goed voetbal, had er verstand van en was zakelijk bij de tijd. Maar de heer H. van den Boogaard hoort in zijn hart bij PSV - een concurrent van Feyenoord. Bovendien zegt hij niet sterk geinteresseerd te zijn in sportieve successen van de Rotterdammers.

Het gaat en ging hem om de vergroting van de naamsbekendheid van zijn bedrijf - en hij wrijft zich in de handen dat dit zo aardig is gelukt.

Het lijkt me duidelijk, dat met dit soort constructies en overwegingen van betrokkenen het betaald voetbal in dit land op de verkeerde weg is. Natuurlijk zijn er in de loop van de Feyenoord-geschiedenis fouten gemaakt. Er kwam te veel naar buiten en sommige mannetjes rolden vechtend over straat. Ook is de zeggenschap van amateurs over betaald-voetbalzaken te groot geweest, terwijl niet alle leiders en medebestuurders erin zijn geslaagd een scheiding tussen club- en persoonlijk belang te maken. Dat laatste is overigens menselijk en komt overal voor.

Het is zondermeer teleurstellend dat geldschieters vaak zo weinig in de gaten hebben dat voetbalprestaties niet met louter geld te koop zijn. Zelfs een man als Berlusconi moet af en toe een fikse teleurstelling accepteren en de multimiljonair die onlangs van hem won (Tapie) zal eveneens een keer met de kop tegen de muur lopen.

'Management van emoties', de uitdrukking is van Gerard Kerkum, zakenman, maar tevens oud-topvoetballer, die het zweet van de kleedkamer heeft geroken en zich niet heeft moeten beperken tot een plaatsje op de bovenste ring als 'voorbereiding' op een latere machtspositie bij Feyenoord. Het gaat om de samenhang tussen voetbalkundige benadering (waarbij emoties ook een rol mogen spelen) en het koele verstand van de businessman, die zo verschrikkelijk goed weet dat twee maal twee vier is.

Het ligt niet overal gelijk. In Eindhoven is de constructie logischer en dus overzichtelijker. Zolang Philips PSV niet loslaat, is daar een basis voor topvoetbal. Manager Ploegsma kent zijn zaakjes en zit al jaren op zijn stoel. De bestuurlijke opzet is helder en doorzichtig.

Wat blijft is de grilligheid, die met presterende of niet-presterende werknemers direct te maken heeft. Er kunnen en zullen af en toe terugslagen voorkomen. Als bijvoorbeeld Romario wegens een ziek kind onmiddellijk het vliegtuig naar Rio moet nemen, is het een tekortkoming dat het gezin Romario duizenden kilometers uit elkaar verblijft - in plaats van in de bossen rond de Lichtstad te bivakkeren. Topvorm of geen vorm zal altijd een sterke invloed op de prestaties hebben en op zichzelf behoort dat tot de attracties van de sport. Bij Ajax speelt dat uiteraard ook mee. Trainers hebben dan hun verklaringen doorgaans onmiddellijk bij de hand. De ploeg is te jong.

Er zijn blessures en gele kaarten. Ook is er sprake van wat Beenhakker suggestief omschrijft als de 'patatjeugd'. Waarom spelers met een jaarsalaris van enkele tonnen zich geen biefstuk zouden kunnen permitteren, lijkt raadselachtig. Maar waarschijnlijk bedoelde de coach het niet al te letterlijk. Hij mist doorzetters en volhouders en die zijn inderdaad zeldzaam - overal trouwens.

Toch heeft Ajax, behalve meer bestuurskracht, ook in die zin een pre op Feyenoord, dat de doorstroming er groter is. Betere scouting waarschijnlijk en de Cruijff-invloed die nog doorwerkt en die hierin bestaat, dat in principe alle elftallen van Ajax op dezelfde manier voetballen. Dat vergemakkelijkt de doorstroming naar de top. Bovendien wordt de plaatselijke en regionale herkenbaarheid groter. De supporter ziet zijn straatgenoot spelen en identificeert zich gemakkelijk met hem. Suurbier, Krol, Cruijff, Swart, Keizer, Muller waren pure Ajacieden, hoewel sommigen van hen in hun allerprilste jaren elders hadden gespeeld. Bij Feyenoord was er, sinds de invoering van betaald voetbal (1954) altijd meer import. Tegenwoordig lijkt dat geen principieel bezwaar: Kindvall kwam uit Zweden, maar werd via zijn doelpunten volledig geaccepteerd in de Kuip. Petterson ondervond hetzelfde in Amsterdam en Romario is de populairste Eindhovenaar zodra hij scoort. Bij de FC Groningen zijn de echte Groningers in de minderheid en zelfs bij Heerenveen is een aanzienlijke import van elders.

Intussen zijn de supporters qua opstelling sterk veranderd. Het is verklaarbaar maar niettemin opzienbarend, dat zij de gewoonte hebben aangenomen hun ploeg nadrukkelijk te ondersteunen als het goed gaat en het elftal als een baksteen te laten vallen zodra het slecht gaat.

Weten zij niet dat voetballers in sommige opzichten gewone mensen zijn? Een ploeg die draait, heeft nauwelijks ondersteuning nodig. Eer de supporters het hebben waargenomen weten de spelers al hoe de vlag erbij hangt. Maar zitten zij in een dal, dan smeken zij om ondersteuning - die gewoonlijk uitblijft. Er zijn niet zoveel echte supporters meer. Vroeger placht men bij Feyenoord als er een downperiode was te zeggen: “Hou je rotkop over die rotclub van ons”.

Alleen de supporters behielden zich het recht voor hun team af te vallen: primitief en veelzeggend.

Tegenwoordig is het tribunepubliek voornamelijk uit belangstellende betalers opgetrokken: men kijkt kritisch toe en als het goed is volgt er applaus. Gaat het niet goed, dan fluiten ze de oren van je hoofd.

Maar zo is het niet overal. Onlangs zond de BBC twee halve finales om de FA-Cup uit. De Spurs wonnen van Arsenal en Nottingham Forest versloeg West Ham United. Voor West Ham was het verloop dramatisch. Om niet geheel duidelijke redenen werd een van de Londenaars halverwege de eerste helft weggezonden. Met tien man vocht men als leeuwen tegen het ongeluk, maar na rust liep Forest steeds verder uit, tot 4-0 zelfs. Toen namen de camera's het vak met West Ham-supporters onder vuur. Wat zag men? Louter positieve gezichten. Juichende mensen. Maar wat viel er dan te juichen? Dat men met een toewijding, deze goede zaak waardig, zich bleef verzetten tegen een superieure tegenstander.

Bij ons zouden onze zogenaamde supporters al lang morrend en chagrijnig tot in hun botten, de uitgang hebben opgezocht.

Wij missen de entertainment-mentaliteit bij velen van onze voetballers. Wij missen een positieve instelling bij de kijkers en wij komen te kort op het punt van bestuurlijke kwaliteiten. Dat laatste vooral omdat wij ons voor geld invloed willen kopen op alle terreinen.

Wee de trainer, die een door de sponsor gekochte speler niet opstelt. Is het een wonder, dat zelfs Malta Oranje tot de magerste aller winsten kon beperken?

    • Herman Kuiphof