Ons Engels is vaak vrij lomp van toon

Een docent vraagt zich wel eens af of een journalist eigenlijk wel weet wat taalbeheersing in feite inhoudt. Zelfs Marc Chavannes, die zich als een ware luis in de pels heeft laten kennen waar het erom gaat om Nederland wakker te houden wat betreft zijn beheersing van het Engels, beperkt zich in zijn artikelen in NRC Handelsblad (recentelijk weer in The Dutch Dilemma van 27 maart en Le Non Neerlandais van 10 april) tot slechts het idiomatische en grammaticale aspect van het Engels van N. Dat hapt natuurlijk heerlijk weg en kan enorm op de lachspieren werken.

Er zijn echter nog twee andere aspecten van taalvaardigheid die minstens zo belangrijk, zo niet belangrijker, zijn. Taalgebruik wordt vaak alleen gezien als een middel om informatie uit te wisselen en dat is natuurlijk een heel belangrijke functie ervan. Daarin is een zo correct mogelijk gebruik van woorden en structuren natuurlijk ten zeerste gewenst.

Het is om die reden van belang dat een Nederlandse leraar vreemde talen, regelmatig voor een wat langere periode naar het land gaat waarvan hij de taal doceert. Hij kan zich daar immers op de hoogte stellen van wat voor nieuwe termen en idioom de taal inmiddels rijker is geworden. In communicatie echter doen wij veel meer dan alleen maar informatie uitwisselen en daarvoor hebben we een beheersing van ook andere aspecten van taalgebruik nodig. We onderhandelen over betekenis, over sociale kennis, kortom over onze cultuur.

Culturen, waarvan weten hoe je je verbaal moet gedragen in een gesprek een heel belangrijk aspect is, verschillen nogal van elkaar. Een Nederlander kan bijvoorbeeld door de manier waarop hij het woord neemt in een gesprek met een Engelsman, of een verzoek afslaat, veel meer verknoeien dan door een voor zijn Engelse gesprekspartner nogal vreemd idioomgebruik. Chavannes heeft gelijk dat Lubbers, als hij zegt: 'You can exclude nothing', door Engelsen in de contekst waarin die uiting wordt gedaan, wel begrepen zal worden.

Anders ligt dat wanneer we ons in onze gesprekken en door de wijze waarop we verzoeken doen, klagen, beloven, het ergens mee (on)eens zijn of een suggestie doen, op een typisch Nederlandse manier gedragen, ook al gebeurt dat in grammaticaal en lexicaal voortreffelijk Engels. De Engelse anthropoloog Nigel Barley heeft na jaren Afrikaanse culturen te hebben bestudeerd zijn deskundig oog eens laten vallen op zijn eigen cultuur (Native Land, 1989). Hij komt daarbij tot de conclusie dat een van de meest opvallende karakteristieken van de Engelse cultuur is de heiligverklaring van de 'privacy'.

Socialisatie is voor een Engelsman “a mere veneer overlaying an emotional core”. 'The real', de prive wereld, wordt naar buiten toe niet getoond. “It is a thing of the private world where emotional life occurs.” Daarom ook is eigen huis en haard voor de Engelsman zo belangrijk. Zo'n fundamenteel gegeven komt natuurlijk ook in taalgebruik tot uiting. Engelsen vinden het vaak moeilijk zaken doen met Duitsers en ook Nederlanders omdat deze veel te direct zijn in hun benadering. “Mevrouw, ik ben op zoek naar het station” wordt in ons land niet direct als een onbeschofte manier gezien om de weg te vragen, maar kan letterlijk overgezet in het Engels al evenmin om dezelfde reden. Daar moet minstens 'Excuse me' en vervolgens een formule als 'could you...' aan vooraf gaan.

Moeten we nu op school proberen kleine Engelsen op te leiden? Chavannes stelt voor om op basisscholen Engelse native speakers in te zetten, zodat kinderen opgroeien “in de wetenschap dat ze even goed Engels als Nederlands spreken”. Chavannes' voorstel, zo al haalbaar, zal echter weinig resultaat hebben als we dit soort aanpak niet in het vervolgonderwijs voorzetten en daarmee de positie van onze vreemde talen-leraren op zijn minst ondergraven. Bovendien lijkt Chavannes'

voorstel onnodig. Waar we in ons talenonderwijs voor moeten zorgen zijn de middelen, de didactieken en niet te vergeten de voorzieningen om leerlingen zich te leren gedragen in de vreemde taal en hen zich bewust te laten worden van culturele verschillen en de manier waarop die zich in taalgebruik manifesteren.

Wat we daarnaast nog moeten doen is hen in de gelegenheid stellen vaardig te worden in het onderhandelen over betekenis en sociale kennis. We moeten hen daartoe tevens laten leren hoe te compenseren voor tekorten, niet alleen op het gebied van woordenkennis en grammatica via omschrijvingen, maar ook op het vlak van de pragmatiek van de taal via ruimtegevende formules als: “I don't know if I can say (ask) this, but...”.

In deze voorstellen ligt meteen verwoord de rol die de moderne vreemde talen te spelen hebben bij de introductie van de Europese dimensie in het onderwijs, waarover sinds de resolutie van de EG ministers van onderwijs van mei 1988 zoveel te doen is. Het Europajaar van het onderwijs dat minister Ritzen dit jaar ter gelegenheid van het Nederlandse voorzitterschap van de EG heeft uitgeroepen, kan niet zonder een duidelijke inbreng van de talen. Als die inbreng geleidelijk in bovengenoemde zin wordt vormgegeven levert ons onderwijs abiturienten die niet alleen weten hoe complex taalvaardigheid in een vreemde taal is maar die ook, en misschien wel daarom, beter zullen communiceren. En daar gaat het om, vanwege de centen, maar ook omwille van de eenwording van Europa.