Nooit werden we zo serieus genomen

Een keer heb ik met het dagblad De Waarheid gecolporteerd. Het was een stralende zomerdag toen ik welgemoed postvatte bij de fabriekspoort met mijn versgeurende stapeltje aanklachten. Ik wachtte en wachtte maar er gebeurde niets, niemand kwam binnen of verliet de fabriek. Dat was nu jammer: in de zomer begonnen ze een uur eerder en ik was dus te laat. Tot overmaat van ramp had de krant die ik tegen mijn borst geklemd hield op mijn witte T-shirt afgegeven. Het begroetingstelegram van de Angolese communistische partij aan kameraad-voorzitter Hoekstra stond in spiegelbeeld over de volle breedte van mijn borst. Nee, echt in de wieg was ik niet gelegd voor het afdelingswerk.

Dat ik niet de enige was, blijkt uit het boek Alles moest anders, het onvervulde verlangen van een linkse generatie, waarin verscheidene bevlogenen van weleer verslag doen van hun wederwaardigheden in de communistische zuil. Het zijn haast allemaal eerlijk-zwaarmoedige bespiegelingen: hier wordt afgerekend, zoveel is wel duidelijk. Jan Blokker vroeg zich in een bespreking in De Volkskrant van afgelopen zaterdag af waarom al die keurige jongens en meisjes van de HBS en het gymnasium hun heil in deze paranoide partij zochten. Ook na lezing van het boek bleef hem deze 'totalitaire verleiding' een raadsel. Mag ik nog een kleine poging wagen en mijn steentje werpen in deze poel van politieke psychologie?

Het raadsel van Blokker heeft misschien iets te maken met de termen waarin hij en tal van auteurs in de bundel het probleem stellen: aan de ene kant het stalinisme met een hoofdletter en aan de andere kant onbedorven studenten. Hoe kan het in hemelsnaam tussen die twee ooit iets zijn geworden? De termen communisme en stalinisme zijn net iets te wijds en zijn beeld van al die jongens en meisjes te goedgelovig.

Laat ik me beperken tot mijn eigen motieven. 'De' CPN was, toen ik als achttienjarige in 1973 lid werd, de priemende vinger van Marcus Bakker. Dat vond ik prachtig, zoals die in het parlement iedereen en alles over de hekel haalde. Geen autoriteit was in zijn ogen heilig.

De Marcus Bakker die sprak over Haagse politici die elke ochtend nog even hun ellebogen in de puntenslijper bijwerken, sloot wel aan bij mijn anti-autoritaire sentiment. Dat zijn ironie misschien wel gescherpt werd door haatdragendheid kwam niet bij me op. Evenmin dat zijn minachting voor het gezag ergens bij de grens van zijn eigen partij ophield.

Verder was 'de' CPN een Nijmeegse huiskamer in een kleine arbeiderswoning waar aanvankelijk hooguit twaalf studenten en twee arbeiders bijeen kwamen. Zwijgend luisterden we - nadat de vrouw des huizes slappe koffie en biskwietjes had rondgebracht - naar 'de inleider uit Amsterdam', die vanaf postzegelachtige velletjes papier feilloos een verband tussen de staking in de strokarton en de bevrijdingsbeweging in Zuid-Afrika construeerde. Een stalinistisch bolwerk was de CPN vast en zeker, maar dan toch wel in de gedaante van een tamelijk koddig gezelschap in een krappe huiskamer. Het was allemaal prettig geheimzinnig, een gevoel van 'wij' tegen de rest van 'de wereld'. Dat was pas een tegencultuur. In Amsterdam was de CPN wellicht een echte partij, daarbuiten toch alweer een heel stuk minder.

Hoe argeloos waren eigenlijk al die studenten? Werden ze bewogen door idealen die achteraf gecorrumpeerd bleken of hadden ze er ook belang bij om lid van die partij te worden? Er waren ergerlijke meelopers en wat meer tegendraadse types; ze komen allemaal aan het woord in Alles moest anders. Maar telkens kan de vraag worden gesteld: werden ze alleen maar gebruikt of gebruikten ze op hun beurt de partij? Wat meer argwaan is hier op zijn plaats.

In de CPN streden twee wereldvreemde geloven om voorrang. Het ene was het geloof in actie, de praktijk, de basis enzovoorts. Overal waar anderhalve man en een paardekop zich roerden zag de CPN het begin van grootscheepse opstandigheid tegen het Kapitaal. Hoe kleiner het voorval des te grootser de samenhang waarin het geplaatst werd. En voor die samenhang was het andere geloof verantwoordelijk, namelijk in de 'wetenschap van het historisch materialisme'. En daar waar het overgeleverde woord zo belangrijk is, zijn veel tekstuitleggers nodig.

Een deel van de aantrekkingskracht van de CPN op ijverige studenten was daarin gelegen. Aspirantdenkers kregen in de CPN een heel toegewijd publiek aangeboden. In het verbond van arbeiders, boeren en intellectuelen moesten de laatsten wel hun plaats kennen, maar dan was hun taak ook glorieus. Datzelfde gold voor de studentenbeweging die van de CPN een doodskus kreeg.

Omdat de doctrine zo'n sacrale betekenis had, werden afwijkingen daarvan nog veel belangrijker gevonden. Havel spreekt ergens over 'de radioactieve straling van woorden' in Oost-Europa en iets dergelijks gold ook voor het kleine vaderlandse communisme. Kritische zinnen en woorden kregen in deze context een welhaast magische werking. Een onopvallende zinswending was al genoeg voor wekenlange achtervolgingswaan bij 'de leiding'. Wie, zoals ik, eenmaal de smaak te pakken had kreeg niet gauw genoeg van dat kat en muis spel.

Toen zou ik dat nooit een 'spel' hebben genoemd, het 'debat' was bloedige ernst. Achter een woord als 'eurocommunisme' ging een mysterieuze wereld schuil van Gramsci, Berlinguer en Elleinstein, van het 'historische compromis' in Italie en de Union de la Gauche in Frankrijk. Daar kon men mij 's nachts voor uit bed halen. Zoals in Bologna, zo moest het overal worden. Kilo's analyses werden vervaardigd, geschreven werd er tot iedereen omviel, en dat allemaal met een overgave die beslist niet van deze wereld was. Wat een paradijs voor al die aankomende hele en halve intellectuelen!

Ergens in 1977 werd ik voor de zoveelste keer terzijde genomen wegens een uitlating, maar deze keer was het ernstiger. Of ik naar Amsterdam wilde komen. Ik had een artikel geschreven waarin ik naast een hoop onzin pleitte voor een genuanceerde benadering van het kabinet-Den Uyl. In de koepelzaal van Felix Meritis zat een gezelschap van zeker vijfentwintig CPN-functionarissen die allemaal het artikel voor zich hadden liggen. Een voor een namen ze het woord om een vrijwel identieke kritiek te formuleren. Het is nog een heel lange middag geworden. Voelde ik me een slachtoffer? Helemaal niet, want nooit zouden mijn woorden met meer zorg worden besnuffeld als die dag, dat voelde ik op mijn klompen aan. Ik was verguld, wat een paar onschuldige zinnen niet allemaal voor een beroering konden veroorzaken. Een jaar later ging het dan ook echt mis.

Werden we lid vanwege alle hooggestemde en hopeloos vage verwachtingen van het 'socialisme', met of zonder een menselijk gezicht? Maar daarvoor konden we toch evengoed terecht bij de PSP en zelfs bij de PvdA in die dagen. Was het geheim van de CPN niet veel meer dat we als studenten nergens zo'n rol konden spelen als in die rare partij, waar onze woorden op een goudschaaltje werden gewogen en elke afwijkende gedachte werd bestreden alsof het leven ervan afhing. Nooit zijn we serieuzer genomen dan in die jaren en, gelukkig, sindsdien nemen we onszelf niet meer zo serieus.