Niet kleinerend doen over Nederlandse taal en cultuur

In de Overzeese Weekeditie van NRC Handelsblad van 2 april 1991 stonden twee artikelen over de rivaliteit tussen de Nederlandse en de Engelse taal: het eerste van Marc Chavannes in het Engels; het weerwoord van Aad Nuis in het Nederlands. Het pleit voor de tolerantie van het NRC Handelsblad dat deze twee artikelen van de hand van twee Nederlanders over de rol van het Engels in onze Nederlandstalige maatschappij en indirect ook dus de rol van onze moedertaal in de naaste toekomst op deze wijze werden gepubliceerd. Ik zou zo gauw niet weten, in welk ander Europees land deze tweetalige discussie zou hebben kunnen plaatsvinden, ook al is de Engelstalige bijdrage van Chavannes provocerend bedoeld.

Het gebruik van het Engels in deze context is in Nederland echter niet nieuw. Nederlanders die het Engels goed beheersen, laten dit vaak graag merken. Ik zou zo graag zien dat zij zich met nog meer trots op hun moedertaal zouden laten voorstaan. Daarom zal het duidelijk zijn dat ik me in het debat tussen Chavannes en Nuis bij laatstgenoemde aansluit.

Dat ik ook mijn stem wil laten horen, komt niet alleen voort uit het feit dat ik begaan ben met de positie van het Nederlands in het op handen zijnde Europa (Nederland, waar is je cultuurpolitiek?), maar ook uit het soort ergernis over het kleinerende toontje, dat sommige Nederlanders menen te moeten aanslaan, zodra onze eigen taal en cultuur ter sprake komen.

Ik ben al ruim dertig jaar in Frankrijk en heb daar tot taak de Nederlandse taal en cultuur voor jeugdige landgenoten, die zich daar gaan vestigen, in stand te houden en verder te ontwikkelen. In Frankrijk zou een stellingname als die van Chavannes algemeen veroordeeld worden. Terecht, vind ik.

Taal is een communicatiemiddel. Taal is nog meer: taal is de irrigatie van onze geest, van onze ziel. Taal is een stuk van jezelf. Zij bepaalt onze identiteit. Taal is dus niet alleen een soort technische vaardigheid, een aangeleerd contact met anderen, die in diezelfde taal leven en werken. Meestal is de enige taal die wij echt beheersen onze moedertaal: dus ons Nederlands. Tot op heden is het slechts aan weinig mensen gegeven om deze diepere belevenis, deze culturele bewustwording in meer dan een taal te ondergaan. De uitdaging van het nieuwe Europa is onder meer, dat deze biculturele dimensie een zaak van velen moet kunnen worden.

Tot zover zijn Chavannes en Nuis het met elkaar roerend eens. Hun standpunten gaan uiteen, zodra eerstgenoemde pleit voor een tweetalige opvoeding in Nederland: de Engelse naast de Nederlandse opvoeding. Hoe zo'n Engelse opvoeding in Nederland dan wel plaats moet vinden, daarover rept Chavannes niet. Vanuit mijn lange buitenlandse praktijk weet ik, dat het antwoord op deze vraag essentieel is.

Een Engelstalige opvoeding kan een kind alleen in Groot-Brittannie krijgen. Alleen daar kan het in die taal leven en bestaan. Engels leren in Nederland blijft een ervaring van beperkte reikwijdte. Je leert er de Engelse taal, maar je raakt er niet thuis in de Engelse leefwereld. Daarvoor is meer nodig dan een paar Engelse taaluren per week, waarbinnen overigens onze Nederlandse docenten vaak wonderen verrichten. De kinderen leren vlot in het Engels converseren, maar het blijven echter Nederlandse kinderen, die de Brit onmiddellijk tijdens de Engelse conversatie of correspondentie als buitenlanders herkent.

Een echte Engelstalige opvoeding binnen een Nederlands leefklimaat is een illusie, is een utopie. Verder dan goed in het Engels communiceren op economisch, praktisch terrein is niet haalbaar. Dit willen bereiken is een streven, dat ook Nuis en ik waardevol vinden en graag ondersteunen.

De echte tweetaligheid, de status van bicultureel, bereik je alleen, als je voor een aantal jaren (twee tot drie jaar is een minimum) in een ander land gaat wonen. En dan nog moet de emigrant aan ten minste twee voorwaarden voldoen: 1. hij moet zich volledig willen integreren in het nieuwe land van vestiging; 2. hij zal ervoor moeten waken, dat hij onder druk van de nieuwe taal- en cultuuromgeving niet zijn eigen oorspronkelijke culturele identiteit verliest. Het is frappant te constateren, dat iemand die zijn eigen moedertaal in de vreemde essentieel blijft vinden, zich ook sneller en diepgaander in de nieuwe cultuur kan inleven. Zoals een huis een fundering nodig heeft, zo vraagt een nieuwe cultuur de onderbouwing van de oorspronkelijke cultuur.

Het is evident, dat dit nieuwe land van vestiging in het Europa-van-morgen Engeland kan zijn en dat de tweede culturele voedingsbodem de Engelse wordt. Maar de kans is groter, dat het nieuwe land Duitsland, Spanje, Frankrijk of Denemarken zal heten. Onze Nederlander zal dan zijn tweede culturele dimensie krijgen door Duits, Spaans, Frans of Deens te leren. Niet het Engels zal hem in die landen geheel thuis doen geraken. Door het zich inleven in die culturen kan de Nederlander zich het grote voorrecht van een bredere geestelijke horizon verwerven. De groter wordende mobiliteit van de Europese bevolking maakt het mogelijk, dat steeds meer Europeanen deze biculturele dimensie gaan delen. Het gaat dan echter wel om een rijkere biculturele schakering dan de voorgestelde Engels-Nederlandse component, die Chavannes voorstaat en die in Nederland voor de Nederlander zelf bovendien niet haalbaar is.

Nederland is zich overbewust van de beperkte uitstraling van zijn eigen taal en cultuur. Het werkt er zelfs aan mee, dat het buitenland weinig of niets van zijn leefwereld merkt. Wij praten in eigen land graag Engels en Frans met Britse en Franse gasten. Wij werken daarmee vaak in de hand, dat de inwoners van de grote Europese landen nooit echt nader kennismaken met ons bijzondere en werkelijk waardevolle cultuur. Wij versterken bij deze buitenlanders hun vooroordeel, dat wij slechts 'een republiek van kooplui' zijn, die hun ziel, dus hun taal graag aan winstbejag opofferen. In het buitenland gaan wij zo volkomen op in de daar bestaande leefwereld dat we er vaak niet meer willen weten, dat wij Nederlanders zijn. Alleen al daarom zijn wij in het buitenland zo onmiddellijk herkenbaar.

Frankrijk en Groot-Brittannie zijn het er ieder voor zich duidelijk over eens, dat de eigen cultuur de enig waardevolle is. De Fransman en Brit zullen in het buitenland voor hun kinderen naar Franse en Britse scholen uitkijken, naar die culturele enclaves, naar die vrijwillig gekozen luxe getto's. Wij Nederlanders zouden Europa een dienst bewijzen, als we de Fransen en Britten zouden willen overtuigen, dat het in hun belang is Nederlands te leren. Dit soort Engels of Franse Nederlanders worden later de beste ambassadeurs voor Nederland bij terugkeer in hun land van herkomst.

Nederlanders, wees trots op je eigen cultuur, stel haar open voor buitenlanders die zich bij jullie komen vestigen. Het is zelfs voor de grote Europese partners van het grootste belang dat ook zij de echte biculturele Europese dimensie kunnen verwerven. Het mes snijdt dan aan twee kanten: de grote Europese partners weten hun eigen standpunt gemakkelijker te relativeren door begrip op te brengen voor de standpunten van de kleine landen; Europa wordt niet het Europa van het jetset-Engels, maar een rijk cultureel netwerk, waarin alle culturen zonder ongerechtvaardigde hierarchische indelingen gelijkwaardig naast elkaar bestaan en elkaar verrijken.

Zo wordt Europa meer dan alleen maar een tiental taalgebieden die zich op het Engels blind staren. Dit is ook in het belang van de Europeanen voor wie het Engels de moedertaal is.