Loodzware benen, maar opgeven is er niet bij in Rotterdam-marathon

ROTTERDAM, 22 APRIL. In de buurt van het Zuiderpark wist hij het zeker. Dit was de laatste keer. Amper zeven kilometer scheidden Kees Donker, de oudste Nederlandse deelnemer aan de elfde marathon van Rotterdam, nog van de finish op de Coolsingel toen zijn zeventigjarige benen loodzwaar werden en hij zichzelf verwenste voor het moment dat hij was gezwicht voor de onzalige gedachte toch nog maar een keer mee te doen.

Terwijl hij zich ruim tweeeneenhalf uur na de Australische winnaar Robert de Castella een weg baant door de mensenmassa die enkele honderden meters voorbij de finish met angstige spanning de laatste binnenkomers opwacht is hij al van gedachten veranderd. “Ik denk al weer aan de marathon van Londen, dat is ook een mooie”. En tegen zijn kleinkinderen: “Vertel dat maar niet aan oma.”

Kees Donker uit Westmaas is een van de bijna tienduizend verhalen van de marathon van Rotterdam. De wedstrijd over 42.195 meter mag zich dan met een recordbedrag van anderhalf miljoen gulden hebben verzekerd van wereldtoppers als wereldrecordhouder Densimo, Saleh en De Castella, zonder die indrukwekkende massa erachter zou er, zegt race-director Mario Kadiks, “een gat in het hart van de marathon zijn.” De enorme belangstelling van lopers uit binnen- en buitenland maakt de wedstrijd in de Maasstad tot de Elfstedentocht van de hardlopers, het enige grote feest in Rotterdam dat wel slaagt. Elk jaar in april is de havenstad in de ban van de loopsport. Bakkers bakken extra voedzame marathonbroodjes, een elektronicawinkel die voor 25 gulden pocket-televisies verhuurt, bloemisten die marathon-boeketten aan de man brengen.

Pag. 17: .

Het begon als lijdensweg van lantaarnpaal tot lantaarnpaal

Vele tienduizenden toeschouwers die zich over het parcours verspreiden om de lopers aan te moedigen en in een aantal gevallen zelfs met de metro naar verschillende punten laten rijden om zoveel mogelijk te zien van hun idool in de wedstrijd, varierend van een topatleet tot een verre achterneef. Een variatie die hier mogelijk is want in tegenstelling tot een internationaal vermaarde wedstrijd als Tokio, waar uitsluitend een paar honderd wedstrijdatleten starten, wordt Rotterdam gedragen door twee pijlers: goed en groot. In 1986 waren er 4000 deelnemers, in 1988 7000 en dit jaar waren het er 9500. Om de kwaliteit van de organisatie (drijvend op tweeeneenhalve beroepskracht en voorts vrijwilligers van wie er op de wedstrijddag 1200 in actie komen) te waarborgen is er een maximum van 10.000 gesteld.

Recreanten wil Kadiks dat loperslegioen niet noemen. Liever betitelt hij ze als de minder snelle marathonlopers. Niemand loopt die klassieke afstand ongetraind. Steeds minder ook is er vreugde over louter het bereiken van de eindstreep, het aantal gezichten dat na een blik op de digitale klok bij de finish een teleurgestelde grimas op het vermoeide gelaat tovert is legio. De blijdschap is nog het grootst bij de wachtenden, die de lopers begroeten als een geemigreerd familielid dat na jaren weer voet op Nederlandse bodem zet.

Omhelzingen en bloemen wachten de geweldenaar die, een medaille op de borst en een paar vierkante meter plastic om de schouders ter bescherming tegen de kou, gromt dat ie weer niet binnen de 3.30 heeft gelopen. En meteen wordt er een gesprek aangeknoopt met een lotgenoot die kilometerslang het lijden heeft meegemaakt en gedeeld.

Want onder hardlopers bestaat een stilzwijgend verbond, waardoor de toeschouwer zich echt buitenstaander voelt. De ongunstige wind, de gemiste spons en de maagkrampen zijn details voor de gewone stervelingen, maar in de conversatie onder lopers zaken van levenbelang dat hen verenigt in wat met een cliche 'een grote familie'

wordt genoemd. Dat heeft ook Donker ervaren sinds hij acht jaar geleden op 62-jarige leeftijd met werken stopte en de sportschoenen aantrok. “Ik had natuurlijk kunnen gaan kaarten of biljarten. Maar dan zag ik ze wel eens die buik optillen om, een stoot te kunnen maken en dacht ik: 'nee'.” Hoewel hij daar op dat moment lichamelijk meer aanleg voor had dan voor lopen. Twee flessen Bokma per week, een pakje shag per dag en 95 kilo schoon aan de haak. “Toen ik de huisarts vertelde dat ik wilde gaan hardlopen begon hij te lachen.” Binnen een week waren de slijterij en de tabakshandelaar een klant kwijt. Het begon met een lijdensweg van lantaarnpaal tot lantaarnpaal. “Dan schaam je je om door te gaan”. Nu wordt er niet meer gelachen, en wordt hij tijdens de marathon voortgestuwd door bemoedigende opmerkingen. Inmiddels, 78 kilogram licht, heeft hij zijn derde marathon gelopen. “Onderweg weet je zeker dat het je laatste is”, zegt hij en zeker tijdens de inzinking tussen de 32ste en 37ste kilometer stond zijn besluit vast. Een jonger lid van de trimclub sleepte hem er door. Leo Verhage (62) bleef volgens afspraak de laatste zeventien kilometer aan zijn zijde. Donkers tijd van vier uur 46 minuten betekende dat hij de marathon acht tien minuten sneller had gelopen dan een jaar terug. “Gevaarlijk op mijn leeftijd? Als ik niet was gaan lopen was ik er nu misschien al niet eens meer geweest.”

Tijdens de regelmatige onderzoeken bij een Sport Medisch Adviescentrum krijgt hij nog steeds de verzekering dat er geen bezwaar tegen zijn inspannende trainingen is. Dus stond hij zondagmiddag om een uur tussen al die lopers, die met een overdosis gezondheid wachtten op het startschot. Het aantal uitvallers was gisteren gering. Slechts driehonderd, iets meer dan tien procent van het aantal dat vorig jaar toen de hoge temperatuur zijn tol eiste voortijdig het parcours verliet. Even voor zes uur draait de laatste loper de Coolsingel op.

Geescorteerd door motoragenten haalt hij net voor de sluiting van de tijdcontrole de streep. Giscomo Balducci uit het Italiaanse Ascoli geniet evenwel van deze aankomst. Met zijn 77 jaar is hij de oudste deelnemer. Zijn ruggegraat is krom gegroeid, zijn haar goeddeels verdwenen maar vanachter zijn hoornen bril glimmen twee pretoogjes als hij vertelt hoe hij in Italie al vier keer een wedstrijd over honderd kilometer heeft gelopen. Maar dat was toen hij net begonnen was met lopen. Op zijn 66-ste. Dat doet hij nu niet meer.

“Doorlopen, doorlopen...”, zegt een agent die de Rotterdamse verkeersader zo snel mogelijk vrij van voetgangers wil hebben en hij duwt vriendelijk doch beslist de ouwe baas een beetje in zijn rug.

Maar Balducci wil helemaal niet meer doorlopen. Hij vindt het na die 42 kilometer welletjes voor vandaag.