Leidse jurist verkiest pragmatischer aanpak Suriname; 'Gemenebest wekt misverstanden'

LEIDEN, 22 APRIL. Het plan om de banden met Suriname aan te halen door middel van een Gemenebest-relatie, miskent de onduidelijke volkenrechtelijke status van dat begrip. De term Gemenebest werkt versluierend en kan een bron van misverstanden zijn.

Dat zegt mr. H.F. Munneke, docent recht en bestuur van het Caraibisch gebied aan de Rijksuniversiteit Leiden. “Iedereen klampt zich nu vast aan dat idee van een Gemenebest. Maar er zijn veel pragmatischer oplossingen denkbaar, waarbij Suriname niet onmiddellijk voor zijn soevereiniteit hoeft te vrezen.”

Eerder dit jaar lekte een voorlopig plan van premier Lubbers uit, dat voorziet in een monetaire unie, een dubbele nationaliteit voor Surinamers, Nederlandse medeverantwoordelijkheid voor het buitenlandse en defensiebeleid van Suriname en cassatierechtspraak bij de Nederlandse Hoge Raad. Het kabinet heeft over het plan nog geen standpunt ingenomen.

In Suriname, waar op 25 mei parlementsverkiezingen worden gehouden, hebben de meeste politici voorzichtig op het plan gereageerd. Allen zijn het erover eens dat de soevereiniteit van Suriname niet mag worden aangetast. Alleen de nieuwe coalitie Democratisch Alternatief (DA '91) heeft een Gemenebest-relatie met Nederland onomwonden tot een van haar programmapunten gemaakt.

“In de gedachte dat Nederland een morele verantwoordelijkheid heeft ten opzichte van Suriname, kan ik heel goed meegaan”, zegt Munneke.

“Sinds de onafhankelijkheid heeft Nederland zich trouwens toch al voortdurend met de gang van zaken bemoeid; zonder duidelijke structuur maar door met de geldzak te zwaaien. Ik denk dat het goed zou zijn als de relatie tussen Nederland en Suriname in een juridische vorm wordt gegoten.”

Maar een Gemenebest, zo stelt Munneke, is een term die voor al te veel uitleg vatbaar is. “In Suriname roept men: wij geven onze soevereiniteit niet prijs. Dan moeten we dus vaststellen of het Gemenebest-plan inbreuk maakt op de Surinaamse soevereiniteit. In juridische termen is soevereiniteit volkenrechtelijke onafhankelijkheid. Daarbij gaat het onder meer om de vraag of je in volkenrechtelijke relaties met andere landen kunt treden, of derde landen je als soeverein zien. Dat moet blijken.

“Zodra men zegt: Nederland gaat onze buitenlandse belangen behartigen en onze verdragen afsluiten, dan zien derde landen het Koninkrijk der Nederlanden optreden namens een deel van zijn territorium ...

Nederlands Guyana. Dat is immers ook zo met de Antillen.

“Maar als men zegt: we gaan de soevereiniteit van Suriname niet in gevaar brengen, dan zal de samenwerking in de buitenlandse betrekkingen beperkt blijven tot praktische dienstverlening, net zoiets als de Nederlandse ambassade in Moskou die de belangen van Israel behartigde.”

Ook het plan voor een dubbele nationaliteit zou volgens Munneke problemen geven. “Om de invloedsferen tussen onafhankelijke staten af te bakenen heeft men juist allerlei verdragen afgesloten die dubbele nationaliteit moeten voorkomen. Toen Aruba in 1986 een status aparte zou krijgen zei het: maar dan willen we ook een Nederlands paspoort.

Den Haag zei toen: dat kan niet, want dat is in strijd met de geest van de internationale rechtsorde. Is dat bezwaar nu ineens weggevallen?''

Andere aspecten van het plan hoeven volgens Munneke geen problemen op te leveren voor de Surinaamse soevereiniteit. “Er zijn geen juridische bezwaren tegen om de Nederlandse gulden als wettig betaalmiddel in te voeren. De gulden is vrij verhandelbaar.”

Ook bij samenwerking op het gebied van defensie ziet Munneke geen groot gevaar voor de soevereiniteit van Suriname, net zo min als bij samenwerking op juridisch terrein. “Daar doet zich dan wel een praktisch probleem voor: In Nederland bestaat nauwelijks nog kennis van het Surinaamse recht. En stel je voor dat de Hoge Raad voor de keuze komt te staan revolutionair recht toe te passen dat stamt uit de voorafgaande periode?”

Munneke zou in plaats van een totaalpakket van samenwerking onder de naam Gemenebest te presenteren, liever de zaak omdraaien. “We zouden tegen Suriname kunnen zeggen: wat hebben jullie het meest dringend nodig. De monetaire unie? Laten we daarover dan gaan praten en zo mogelijk een verdrag sluiten. Dat is een onderwerp waarmee niet meteen het soevereiniteitsprobleem als een heet hangijzer boven de besprekingen komt te hangen.”

De onduidelijkheid van de term Gemenebest blijkt wel uit de sterk uiteenlopende betekenissen die de Nederlandse politiek er de afgelopen jaren aan heeft toegekend. “Toen Aruba uit het Antilliaanse staatsverband wilde stappen, zei Nederland: dat is goed, maar dan moet je binnen tien jaar ook echt onafhankelijk worden. Als pleister op de wonde werd Aruba voor na 1996 een Gemenebest-relatie in het vooruitzicht gesteld, wat dus een internationaal-rechtelijke betrekking zou zijn.

“Maar dit kabinet gebruikt de term Gemenebest weer voor verhoudingen binnen het Koninkrijk, namelijk in de nota waarin minister Hirsch Ballin voorstelt om de vijf Antillen te splitsen in een benedenwinds en een bovenwinds deel.”

Vaak wordt de idee van een Gemenebest geassocieerd met de Commonwealth of Nations, de band van sommige voormalige Engelse kolonien - en enkele andere landen - met het voormalige moederland. “Maar dat is geen formeel-juridische band. Waar het op neerkomt is vooral een consultatie-mechanisme voor de buitenlandse politiek. Het versluierende van het begrip is dat van het Britse Gemenebest zowel landen deel uitmaken die afhankelijk zijn van Londen als geheel onafhankelijke landen. Als Engeland verantwoordelijkheden heeft ten opzichte van bepaalde Gemenebest-landen, is dat op basis van speciale regelingen die met het Gemenebest als organisatie niets te maken hebben.”

Dat het begrip Gemenebest door sommigen toch graag wordt gebruikt, kan Munneke overigens wel begrijpen. “Het betekent 'gemeenschappelijke rijkdom'. Dat wekt toch prettige gevoelens op. Maar als je een Gemenebest sticht zoals de Engelsen, dan doe je eigenlijk niets. Dan zouden we Indonesie en de Antillen erbij kunnen vragen en dan worden we het misschien eens over een gezamenlijk Zuid-Afrika-standpunt.”

    • Juurd Eijsvoogel