De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Bij mij is een vorstelijk gevoel. De hele tram rijdt op mijn kosten. Dat rijke gevoel als wanneer je een rondje in een cafe geeft. Ik ben nu al drie weken in Holland, en ik heb in eenentwintig cafe-avonden nog maar een keer meegemaakt dat iemand een rondje gaf. En die man meende daar het recht aan te ontlenen mij door te zagen over glasnost, Dostojevski, Jeltsin, F.C. Leningrad, en Peter de Grote, zonder dat ik naar waarheid kon roepen: “Die namen zeggen mij helemaal niks, ik wil daar niets mee te maken hebben!”

Alle passagiers in deze tram rijden op mijn kosten! Ik heb namelijk een pas met een foto die niet op mij lijkt (en geloof maar niet dat de foto de schuld krijgt) en een visum dat vermoedelijk verlopen is.

Daarom kan ik mij niet veroorloven zwart te rijden. Een zwart kaartje is hier niet een kaartje dat je stiekem koopt tegen een hogere prijs dan de officiele prijs. Nee: een zwart kaartje = geen kaartje.

Iedereen rijdt hier op een zwart kaartje. Als ze mij snappen reis ik gratis door naar Moskou.

Op de halte verkneukelde ik me in de kluwen die absoluut geen rij wilde vormen. Eerst beletten wij instappers de uitstappers het uitstappen en toen beletten wij elkaar het instappen. Zo kom ik nog eens met Nederlanders in aanraking. Achterin zaten twee jongens te chinezen. In Moskou noemen we dat bakoezaaien, en net als met copuleren en defaeceren zorgen we dat niemand je het ooit ziet doen.

Boven hun hoofd hing het plaatje van een sigaret met een rode streep er schuin doorheen. Ik liep de tram door naar de stuurman die een pijp rookte. Hij verwees me naar een gele automaat. Daar wierp ik twee glanzende, zilveren, zware guldens in, die ik voor dit doel van Emmie had geleend. Voor zoveel duizenden kopeken had ik in Moskou ook voor alle passagiers kunnen betalen.

Uit de guldenslikker kwam een tweestrippenkaart, die ik nog maar niet afstempelde - ik zat tenslotte vlakbij de stempelmachine en de controleurs, zo had Emmie mij verzekerd toen ze me eerst die onnozele twee piek niet wou lenen, waren van ver herkenbaar aan hun uniform. Op de stempelmachine zat een digitale klok.

Duur is de tram. Een man in een park had me uitgelegd hoe je uit twee fietsen, waarvan er een aan het voorwiel is geketend terwijl de andere juist niet aan het voorwiel is geketend, een ontketende fiets kunt maken door het vrije wiel in de voorvork van de andere fiets te zetten. Elegant idee. We lachten om het gezicht van de fietsbezitter, die naar zijn geamputeerde fiets kijkt en - wie kent zijn eigen voorwiel? - meent dat zijn voorwiel met een extra slot geboeid is.

Maar wat had ik aan een fiets? Ik kon geen slot betalen. En wie een fiets te koop aanbiedt, kan net zo goed een bordje met “Ik Ben Dief”

om nek hangen.

Het leek mij het beste om een poosje bij Eline te gaan logeren, klaplopen, bietsen, parasieteren, uitvreten, of hoe Emmie het ook noemde. Daarom zat ik in deze tram met mijn glimmendzwarte zak vol wc-rollen, cafe-asbakken, fietsbellen, wieldoppen en andere gevonden voorwerpen.

Het eindpunt! Op de halte verkocht ik mijn maagdelijke tweestripskaart aan een jonge heer die me een munt van 21-2 gulden gaf. “No change!”

riep ik en liep voort. Achter me hoorde ik hem lachen.

Mijn eerste zelfverdiende geld!

Ik lachte ook. Ik loop in een stad waar de stempelmachine een klok heeft en waar een willekeurige passagier me een halve gulden gunt. Als tante dat eens wist!

Ik pluk een boeket en bel aan bij Eline. Ze heeft een etage die ze niet huurt maar kraakt. Dat staat me niet aan. Maar ze legt uit dat ze er al tien jaar woont en “krakersvergoeding” betaalt. Nou, dan wil ik wel blijven.

Ik leg uit wat ik met de inhoud van mijn zak ga doen op Koninginnedag. “Daar ben je de hele dag aan kwijt, en dan heb je nog maar een geeltje,” zegt ze met het blije gezicht van alle meisjes hier als ze merken dat je straatarm bent. “Je moet 's ochtends naar de rijke buurt gaan en van een kind zijn hele voorraad stripboeken kopen voor een knaak. Die verkoop je dan door voor een piek per stuk.” Zij is bereid mij het beginkapitaal te lenen. O, was de koningin maar vast jarig! O, was zij maar elke maand jarig!

Wordt vervolgd